Rene Fokkink | Fotografie & Workshops
Workshops
Of je nu net begint met fotograferen of al meer ervaring hebt, er valt altijd iets nieuws te ontdekken.
Je kunt kiezen uit twee fotoworkshops waarin je leert je camera optimaal te gebruiken, beter te kijken en bewuster te fotograferen.
Daarnaast is er een workshop Photoshop, waarin je ontdekt hoe je jouw foto’s kunt nabewerken en verbeteren.
Basis
Met deze workshop leer je de basis van fotografie. Ideaal als je net begint.
Het belangrijkste doel is dat je na de workshop begrijpt hoe je camera werkt en hoe je goede foto’s maakt.
Voor meer informatie, ga naar basis
Gevorderd
Ben je al wat verder? Dan is deze workshop een goede volgende stap.
Naast het verdiepen van je technische kennis, ga je aan de slag met het ontdekken van je persoonlijke fotografische smaak en stijl.
Voor meer informatie, ga naar gevorderd
Photoshop
Tijdens de workshop Photoshop leer je de basisprincipes van het fotobewerken.
Je ontdekt hoe je met eenvoudige handelingen foto’s optimaal aanpast en verbetert.
Voor meer informatie, ga naar Photoshop
Basis
Met deze workshop leer je snel de basis van digitale fotografie.
Zonder moeilijke vaktermen en ingewikkelde theorie leer je vanuit de praktijk betere foto’s maken.
We beginnen zaterdagmorgen om 10.00 uur bij Bagels & Beans in Enschede.
Je camera-instellingen worden uitgelegd en aangepast, zodat je handmatig, in de M-stand, kunt fotograferen.
Daarmee leer je wat een sluitertijd, het diafragma en ISO in de praktijk doen.
Nadat we de instellingen van je camera hebben behandeld, gaan we op pad.
We lopen door de binnenstad van Enschede om verschillende onderwerpen te fotograferen, zoals architectuur-, landschaps- en portretfotografie.
Tijdens de workshop komen onder andere de volgende onderdelen aan bod:
– Diafragma, sluitertijd en ISO
– Fotograferen in de praktijk
– Wanneer welke instelling gebruiken
– Werken met compositie
Rond het middaguur houden we een pauze en gaan daarna direct weer aan de slag.
We sluiten de workshop om 13.30 uur af met het bespreken van de gemaakte foto’s.
Je kan kiezen uit de volgende data:
Geen les in 2026
Aantal deelnemers
Niveau
Studieduur
Tijdstip
Tarief
Vertrekpunt
Bij aanmelding je naam en workshopdatum vermelden.
Lees de algemene voorwaarden
Ter voorbereiding op de workshop lees je het lesmateriaal en maak je de opdrachten.
Maak er geen studie van. We behandelen de verschillende onderdelen tijdens de workshop.
Inleiding
De sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde bepalen samen de belichting van je foto.
Het diafragma bepaalt hoeveel licht er binnenkomt, terwijl de sluitertijd regelt hoe lang er licht op de beeldsensor valt.
De ISO-waarde geeft aan hoe lichtgevoelig de sensor is. Elke digitale camera heeft diverse knoppen en een menu om deze instellingen aan te passen.
De belangrijkste functies bedien je meestal direct via de (draai)knoppen op de behuizing.
Lees deze onderdelen en maak de opdrachten
Standknop
Nikon noemt het een standknop en Canon een programmakeuzewiel.
Met deze draaiknop kies je de opnamestand. Daarmee stel je in hoe jij de camera gaat gebruiken.
Auto
De camera bepaalt de sluitertijd, het diafragma, ISO en het gebruik van de interne flitser.
De camera is zo geprogrammeerd dat een foto gemiddeld goed belicht wordt. De ingebouwde flitser kan automatisch ingeschakeld worden door de camera.
Nikon-camera’s gebruiken het groene woord AUTO. Canon-camera’s gebruiken de groene letter A+.
P
In de programmastand kun je de ISO-waarde aanpassen. De camera kiest automatisch de sluitertijd en het diafragma.
De sluitertijd of het diafragma kun je niet onafhankelijk van elkaar instellen.
In deze stand zal de camera de ingebouwde flitser niet automatisch inschakelen.
S / Tv
Jij kiest de sluitertijd en de camera bepaalt het diafragma.
Wanneer er weinig licht is, selecteer dan een langere sluitertijd.
Wanneer er veel licht is, of omdat je een snel bewegend onderwerp wilt fotograferen, selecteer dan een korte sluitertijd.
Nikon-camera’s gebruiken de letter S, wat staat voor Shutter. Canon-camera’s gebruiken de letters Tv, wat staat voor Time value.
A / Av
Jij kiest het diafragma en de camera bepaalt de sluitertijd. Je gebruikt deze instelling wanneer je een grote of kleine scherptediepte wilt gebruiken.
Nikon-camera’s gebruiken de letter A, wat staat voor Aperture (diafragma).
Canon-camera’s gebruiken de letters Av, wat staat voor Aperture value (diafragma-waarde).
M
In de manuele stand krijg je de volledige controle over de sluitertijd, het diafragma en ISO. Je stelt handmatig de sluitertijd, diafragma en ISO-waarde in.
Bulb
De meeste moderne camera’s bezitten de mogelijkheid om een sluitertijd van 30 seconden in te stellen.
Bij een langere sluitertijd gebruik je de Bulb-stand.
Je gebruikt de Bulb-stand in combinatie met een afstandsbediening en een statief om ongewenste bewegingen te voorkomen.
Er zijn camera’s met meer instelmogelijkheden op de standknop / programmakeuzewiel.
Dit zijn voorgeprogrammeerde of programmeerbare instellingen van standen zoals hierboven omschreven.
De knoppen, symbolen en benamingen verschillen per merk en type camera.
Opdracht
1. Zet de standknop op je camera in de M-stand.

Sluiterknop
Druk de sluiterknop in voor de automatische scherpstelling.
Als je een rood autofocuspunt in de zoeker of op het LCD-scherm ziet, dan heeft de camera scherpgesteld.
Indien nodig maak je met de sluiterknop half ingedrukt een kleine aanpassing in de compositie. De afstand tot het onderwerp moet hetzelfde blijven.
Vervolgens druk je de sluiterknop helemaal in. De foto is gemaakt.
Opdracht
1. Maak een foto. Als de foto te licht of te donker is, pas je via het instelwiel de sluitertijd aan.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Compensatieknop
In de automatische of halfautomatische stand, zoals programma (P), diafragmavoorkeuze (A / Av) en sluitervoorkeuze (S / Tv),
kun je de belichting aanpassen met behulp van de belichtingscompensatieknop.
Door de belichtingscompensatieknop ingedrukt te houden en aan het instelwiel te draaien, corrigeer je de belichting.
Corrigeer je richting de plus, dan wordt de foto lichter. Corrigeer je richting de min, dan wordt de foto donkerder.
In de M-stand gebruik je het instelwiel om de sluitertijd te veranderen.
In de M-stand verander je het diafragma door de belichtingscompensatieknop ingedrukt te houden en aan het instelwiel te draaien.
Opdracht
1. Zet de standknop op je camera nu in de A / Av stand.
Corrigeer de belichting met de belichtingscompensatieknop (Av +/-) en het instelwiel. Maak een foto.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Diafragma
Het diafragma is een verstelbare opening in het objectief. Het is opgebouwd uit meerdere lamellen die kunnen verschuiven.
De diafragma-opening kan groter en kleiner worden gemaakt. Hiermee bepaal je de scherptediepte en de hoeveelheid licht op de beeldsensor.
Het is gebruikelijk om een diafragmagetal op te schrijven als f, wat staat voor brandpuntsafstand,
gevolgd door een / (schuine streep) en een getal, bijvoorbeeld f/5.6. In de praktijk spreken we alleen het getal uit.
Diafragma reeks
f/1.4 – f/2 – f/2.8 – f/4 – f/5.6 – f/8 – f/11 – f/16 – f/22
Bij elke stop naar links wordt de scherptediepte minder en komt er twee keer zoveel licht op de beeldsensor.
Bij elke stop naar rechts wordt de scherptediepte meer en komt er twee keer minder licht op de beeldsensor.
Er zijn camera’s die ook tussenstappen met een 1/3-stop kunnen maken.
Voor meer informatie over het diafragma, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Verander het diafragma.
Dit doe je via de belichtingscompensatieknop (ingedrukt houden) en het instelwiel. Maak een foto.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Sluitertijd
De sluitertijd bepaalt hoe lang er licht op de beeldsensor van de camera valt. Zolang de sluiter van de camera openstaat, komt er licht op de beeldsensor.
Sluitertijd wordt gemeten in seconden (s) of fracties van seconden, bijvoorbeeld 1/60s of 1/500s.
De sluitertijd van de camera wordt bepaald door het omgevingslicht, het diafragma en de ISO-waarde.
Een korte sluitertijd, bijvoorbeeld 1/500s, gebruik je doorgaans wanneer het onderwerp snel beweegt en/of omdat er veel omgevingslicht is.
Een lange sluitertijd, bijvoorbeeld 1/60s, gebruik je wanneer er weinig omgevingslicht is.
Sluitertijden langer dan 1/30s kunnen bewegingsonscherpte veroorzaken.
Sluitertijden reeks
30" – 15" – 8" – 4" – 2" – 1s – 1/2s – 1/4s – 1/8s – 1/15s – 1/30s – 1/60s – 1/125s – 1/250s – 1/500s – 1/1000s – 1/2000s – 1/4000s – 1/8000s
Bij elke stop naar links (langere sluitertijd) wordt de tijd verdubbeld en komt er twee keer zo veel licht op de beeldsensor.
Bij elke stop naar rechts (kortere sluitertijd) wordt de tijd gehalveerd en komt er twee keer minder licht op de beeldsensor.
Opdracht
1. Verander via het instelwiel de sluitertijd van je camera. Maak een foto.
Is de foto te licht of te donker? Verander dan het diafragma zodat je een goede belichting krijgt.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
ISO
ISO bepaalt de lichtgevoeligheid van de beeldsensor.
Bij veel aanwezig licht kun je met een lage ISO-waarde, bijvoorbeeld ISO 100, een gedetailleerde / scherpe foto maken.
Bij weinig licht is er een hoge ISO-waarde, bijvoorbeeld ISO 800, nodig om een foto te kunnen maken.
Het is belangrijk om een ISO-waarde te kiezen die geschikt is voor de lichtomstandigheden waarmee je fotografeert.
De ISO-waarde verhogen doe je om onderbelichting of bewegingsonscherpte te voorkomen.
Een te hoge ISO-waarde kan invloed hebben op de beeldkwaliteit (detaillering / scherpte).
Fotografeer bij voorkeur met een zo laag mogelijke ISO-waarde.
Controleer altijd de ISO-waarde voordat je begint met fotograferen.
ISO-waarden reeks
ISO 50 – ISO 100 – ISO 200 – ISO 400 – ISO 800 – ISO 1600 – ISO 3200 – ISO 6400 – ISO 12800 – ISO 25600
Opdracht
1. Verander de instelling van de ISO-waarde met de ISO-knop en het instelwiel op je camera.
2. Via het menu van de camera kun je ook de ISO-waarde veranderen. Verander de ISO-waarde via het menu van de camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Ruis
Ruis kan ontstaan bij de omzetting van licht dat bij het fotograferen op de sensor valt en wordt omgezet naar een digitaal signaal.
Elke pixel op de sensor registreert het licht en vertaalt het naar een bepaalde kleurwaarde.
Onder bepaalde omstandigheden kunnen er kleine afwijkingen ontstaan bij het omzetten van het licht naar een kleurwaarde.
Deze afwijking noemen we ruis.
Ruis zie je vooral in de donkere delen van een foto en in gedeelten met weinig detaillering, zoals een onscherpe achtergrond of in de lucht.
Kleurruis
Wanneer je de ISO-waarde van je camera verhoogt, vergroot je het signaal van de beeldsensor naar de beeldprocessor.
Ruis is zichtbaar als afwijkingen in de kleuren van de pixels.
Tussen de pixels met de correcte kleuren staan dan pixels met willekeurige rode, groene en blauwe pixels.
Kleurruis kan ook ontstaan wanneer je teveel donkere gedeelten in een foto gaat oplichten met een fotobewerkingsprogramma.
Helderheidsruis
Helderheidsruis zie je vaak als korrelige vlekjes in de foto. Deze vorm van ruis ontstaat bij het fotograferen met een te hoge ISO-waarde.
Vaste patroonruis
Bij lange sluitertijden kan er ook ruis ontstaan doordat de sensor in de camera te warm wordt.
Deze vorm van ruis noemen we Hot Pixels.
Wat je moet doen
Controleer altijd de ISO-instelling van je camera voordat je begint met fotograferen.
Verhoog de ISO-waarde alleen wanneer dit noodzakelijk is om een goed belichte foto te maken.
Zorg ervoor dat de foto in eerste instantie direct al goed belicht is, in plaats van de foto achteraf lichter te maken met een fotobewerkingsprogramma.
Je kan van een kleurenfoto een zwart-wit foto maken. De kleurruis is dan minder zichtbaar.
Gebruik, indien mogelijk, de beeldstabilisatie van de camera of het objectief.
Gebruik eventueel een langere sluitertijd in combinatie met een lage ISO-waarde en een statief.
Wanneer je een foto gebruikt voor het internet of laat printen (t/m A4-formaat) is zichtbare ruis nauwelijks waarneembaar.
Ruis is duidelijker zichtbaar op een beeldscherm dan in een print.
Een beetje ruis is niet erg. Het is vooral een kwestie van uitproberen wat je acceptabel vindt.
Moderne camera’s hebben instellingen om ruis te reduceren,
zoals Ruisreductie Hoge ISO, bij Canon-camera’s of Hoge ISO NR (Noise Reduction) bij Nikon-camera’s.
Hiermee wordt ruis onderdrukt bij gebruik van hoge ISO-waarden.
Deze functie werkt overigens alleen wanneer je fotografeert in het JPG-formaat en niet in het RAW-formaat.
Bij lange sluitertijden kun je, indien mogelijk, de functie Ruisreductie lange sluitertijd inschakelen via het menu van de camera.
De camera maakt naast de originele foto een tweede foto, maar dan met de sluiter gesloten.
De camera registreert de aanwezige ruis en verwerkt deze vervolgens met de originele foto voor minder ruis.
Geen tot nauwelijks zichtbaar ruis
ISO 50 – ISO 100 – ISO 200 – ISO 400 – ISO 800
Meer tot veel ruis
ISO 1600 – ISO 3200 – ISO 6400 – ISO 12800 – ISO 25600
Voor meer informatie over ruis, ga naar wikipedia.org
Voorbeelden van ruis kun je bekijken via google.com
Opdracht
1. Maak een foto met een ISO-waarde-instelling van ISO 100.
2. Maak dezelfde foto met een ISO-waarde-instelling van ISO 6400. Corrigeer de belichting met de sluitertijd en/of het diafragma.
3. Kijk naar de verschillen in de hoeveelheid ruis.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Stop
Met een stop wordt een verdubbeling of halvering van de belichting bedoeld.
Diafragma
Eén stop omhoog betekent een halvering van het licht.
Van diafragma f/5.6 naar f/8 is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Eén stop omlaag betekent een verdubbeling van het licht.
Van diafragma f/8 naar f/5.6 is +1 stop. De foto wordt lichter.
Sluitertijd
Eén stop omhoog betekent een halvering van het licht.
Van 1/60 seconde naar 1/125 seconde is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Eén stop omlaag betekent een verdubbeling van het licht.
Van 1/125 seconde naar 1/60 seconde is +1 stop. De foto wordt lichter.
ISO
Eén stop omhoog betekent een verdubbeling van het licht.
Van ISO 200 naar ISO 400 is +1 stop. De foto wordt lichter.
Eén stop omlaag betekent een halvering van het licht.
Van ISO 400 naar ISO 200 is -1 stop. De foto wordt donkerder.
Lichtmeter
Elke camera heeft een interne lichtmeter. Dit is een sensor die de hoeveelheid licht meet die door het objectief valt.
De lichtmeter geeft aan of de foto onderbelicht, correct of overbelicht is. Voor een correct belichte foto moet de lichtmeter op 0 staan.
Dit geeft in 90% van alle gevallen een goede belichting.
De lichtmeter van je camera meet 18% grijs.
Deze grijswaarde (middengrijs) zit precies in het midden tussen zwart en wit. Het is een grijstint die 18% van het licht dat erop valt reflecteert.
Niet alles wat je fotografeert heeft deze grijstint en reflecteert 18% licht. Dit betekent dat de lichtmeter niet altijd een goed resultaat geeft.
Afhankelijk van de situatie komt het regelmatig voor dat de foto iets donkerder of lichter moet zijn dan de lichtmeter aangeeft.
Met de belichtingscompensatieknop in combinatie met het instelwiel kun je de belichting nauwkeuriger instellen.
Staat de meter aan de linkerkant van de 0, dan wordt de foto donkerder.
Staat de meter aan de rechterkant van de 0, dan wordt de foto lichter.
Voor meer informatie over de lichtmeter, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Zet je camera op de M-stand via de standknop.
Verander de sluitertijd via het instelwiel op de camera en kijk naar wat de lichtmeter doet.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Licht meten
Bij een spiegelreflexcamera gaat het licht door het objectief, via de spiegel naar de lichtmeetsensor boven in de camera.
Bij systeemcamera’s gaat het licht door het objectief, rechtstreeks naar de beeldsensor en wordt daar gemeten.
Elke camera kan op verschillende manieren het licht meten.
Matrix
Ook wel meervlaksmeting genoemd bij Canon-camera’s. Canon- en Nikon-camera’s meten dat wat je ziet via het LCD-scherm of door de zoeker van de camera.
In de meeste gevallen zorgt deze instelling voor een goede belichting bij onderwerpen met weinig contrast.
Centrumgerichte meting
Ook wel centrumgewogen meting genoemd bij Canon-camera’s.
Canon- en Nikon-camera’s meten het hele beeld, waarbij de nadruk van de meting in het midden van het beeld ligt.
Deze instelling gebruik je wanneer het onderwerp in het midden staat bij een omgeving met veel contrast.
Deelmeting
Deelmeting is een manier van licht meten bij Canon-camera’s. Vergelijkbaar met spotmeting, maar dan ruimer.
De meting is ongeveer 10% in het midden van het totale beeld.
Spot
Bij Canon- en Nikon-camera’s meet de spotmeting een klein gedeelte in het midden van het beeld. Dit gedeelte is ongeveer 3% van het totale beeld.
Bij tegenlicht kan de spotmeting handig zijn om tot een correcte belichting te komen.
Bij andere merken camera’s werkt de manier van licht meten op dezelfde manier als hierboven omschreven.
Voor meer informatie raadpleeg je de camerahandleiding.
Voor meer informatie over de lichtmeter, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Verander de instelling van licht meten via het menu (meetmethode) in je camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Scherpstellen
Standaard staat de camera ingesteld op het automatisch kiezen van een scherpstelpunt. Verander dit op je camera. Zet het scherpstelpunt in het midden.
Met deze instelling kun je exact op het onderwerp scherpstellen zonder last te hebben van voorwerpen of mensen die dichterbij staan.
Wanneer je een snel bewegend object wil fotograferen, zet je de instelling op scherpstellen met meerdere scherpstelpunten.
AF-A / AF-I
Dit is de automatische autofocus.
Bij deze instelling schakelt de camera continu tussen de AF-C en de AF-S stand, afhankelijk van de situatie.
AF-A betekent Autofocus-Automatic bij Nikon. AF-I betekent Autofocus-Intelligence bij Canon.
AF-C / AI Servo AF
Dit is de continu autofocus. De beste autofocusstand om bewegende onderwerpen te fotograferen.
De camera blijft continu scherpstellen wanneer je de sluiterknop half ingedrukt houdt.
AF-C betekent Autofocus-Continuous bij Nikon. AI Servo AF betekent Artificial Intelligence Servo Automatic Focusing bij Canon.
AF-S
Dit is de enkelvoudige autofocus. De meest gebruikte autofocusstand voor het maken van architectuur-, landschaps- en portretfotografie.
AF-S betekent Autofocus-Single.
M
Om handmatig scherp te stellen, zet je de knop op het objectief bij Nikon van A (Autofocus) op M (Manual) en bij Canon van AF (AutoFocus) op MF (Manual Focus).
Opdracht
1. Verander de scherpstelpunten in de enkelvoudige autofocusstand met de knop en het instelwiel op je camera.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

Scherptediepte
Scherptediepte is de ruimte tussen het dichtstbijzijnde en het verste punt, die scherp wordt weergegeven.
Dit gebied valt voor ongeveer 1/3 voor het scherpstelpunt en 2/3 achter het scherpstelpunt.
Op zeer korte afstanden (bij macrofotografie) tot het onderwerp is dit ongeveer 1/2 voor het scherpstelpunt en 1/2 achter het scherpstelpunt.
Scherptediepte is afhankelijk van de afstand tot het onderwerp, het diafragma en het objectief dat je gebruikt.
Een groothoekobjectief geeft veel scherptediepte. Een tele-objectief geeft weinig scherptediepte.
Voor weinig scherptediepte gebruik je een grote diafragma-opening. Dit is een laag getal, bijvoorbeeld f/2.8.
Voor meer scherptediepte gebruik je een kleine diafragma-opening. Dit is een hoog getal, bijvoorbeeld f/16.
Bij onderwerpen zoals landschappen en interieurfotografie wil je dat alles scherp is.
Met een groothoekobjectief in combinatie met een klein diafragma bereik je een grote scherptediepte. Meestal is dit van één meter tot oneindig.
Bij portretfotografie ligt de nadruk doorgaans op de persoon en niet op de omgeving. Hiervoor gebruik je bij voorkeur een objectief met een
grote diafragma-opening, bijvoorbeeld f/2.8 of f/4.
Opdracht
1. Maak een foto met een diafragma-instelling van f/2.8 of f/3.5.
2. Maak dezelfde foto met een diafragma-instelling van f/22.
3. Zie je de verschillen in de scherptediepte?
Is de foto te licht of te donker? Corrigeer de belichting met de sluitertijd en/of het diafragma.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Beeldsensor
Een beeldsensor bestaat uit een groot aantal fotodiodes die licht opvangen en omzetten in elektronische signalen.
Deze signalen worden vervolgens verwerkt door de beeldprocessor om een foto te creëren.
Een sensor heeft een vaste gevoeligheid. Wanneer je de ISO-waarde van je camera verhoogt, versterk je het signaal van de sensor naar de beeldprocessor.
Full-frame camera’s worden zo genoemd, omdat het formaat van de sensor net zo groot is als een negatiefformaat (24 x 36 mm) van een analoge camera.
Omdat een full-frame sensor relatief duur is, zijn er ook camera’s met een kleinere sensor.
Bijvoorbeeld een camera met een APS-C beeldsensor (15 x 22 mm).
Cropfactor
De cropfactor heeft te maken met de afmeting van de sensor van de camera. Het verschil ga je zien bij de brandpuntsafstand van objectieven.
Een 50mm objectief op een full-frame camera heeft een brandpuntsafstand van 50mm.
Wanneer je hetzelfde objectief op een camera met een cropfactor zet, bijvoorbeeld een APS-C camera, krijgt het objectief een grotere brandpuntsafstand.
Het objectief zal zich dan gedragen als een 75mm (x1,5 Nikon cropfactor) of 80mm (x1,6 Canon cropfactor) objectief, waardoor het onderwerp dichterbij komt.
Ontstoffen
Wanneer je een objectief verwisselt, zet je de camera uit. Dit vermindert de hoeveelheid statische lading van de beeldsensor, waardoor het minder stof aantrekt.
Stofjes komen meestal binnen tijdens het wisselen van objectieven in de buitenlucht.
Stofjes kunnen ook zitten op de vatting van het objectief. Verwijder deze met een blaasbalgje.
Een beeldsensor ontstoffen doe je met een statisch nylon penseel. Hardnekkige vlekjes kun je laten schoonmaken door een specialist.
Voor meer informatie over de beeldsensor, ga naar wikipedia.org
Voor meer informatie over het schoonmaken van een beeldsensor, ga naar google.com
Opdracht
1. Zet je camera uit. Houd de knop op de camera (naast het objectief) ingedrukt en draai het objectief van de camera.
Je ziet nu de beeldsensor van de camera. Draai het objectief weet terug op de camera.

Witbalans
De witbalans bepaalt de kleurtemperatuur van de foto. De kleurtemperatuur wordt uitgedrukt in Kelvin (K). Neutraal daglicht ligt tussen 5000K en 6500K.
Controleer of je camera op de automatische witbalans (AWB) staat. Deze instelling geeft een goede witbalans bij normale daglichtomstandigheden.
Wanneer je in RAW fotografeert, kun je achteraf en zonder kwaliteitsverlies de kleurtemperatuur veranderen.
Voor meer informatie over witbalans, ga naar wikipedia.com
Opdracht
1. Verander de instelling van de witbalans. Dit kan met de WB-knop (WitBalans-knop) op je camera.
2. Zet de witbalans op TL-licht en maak een foto.
3. Zet de witbalans weer terug op de Automatische witbalans.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.

JPG
Een JPG-bestand, of JPEG-bestand (Joint Photographic Experts Group), is een bestandsformaat voor het opslaan en gebruik van digitale foto’s.
Beide afkortingen betekenen hetzelfde. Er zijn geen verschillen in kwaliteit, compressie of functionaliteit.
Het enige verschil is de lengte van de bestandsextensie, noodzakelijk omdat vroege Windows/MS-DOS-systemen extensies beperkten tot drie letters.
JPG-bestanden zijn geschikt voor situaties waarin je snel foto’s wilt delen of laten printen.
JPG-bestanden gebruiken compressie om de bestandsgrootte te verkleinen. Tijdens deze compressiemethode gaat er beeldinformatie verloren.
Voor meer informatie over JPG, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Verander de JPG (L=Large) instelling, via het menu > kwaliteit, in RAW.
2. Maak een foto.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
RAW
Als je gaat voor de beste kwaliteit, kies je voor het fotograferen in het RAW-formaat.
Bij fotograferen in RAW kan achteraf de witbalans aangepast worden met een fotobewerkingsprogramma.
Ook is er veel meer ruimte voor correcties in de donkere en lichte delen van de foto.
Een RAW-bestand moet je achteraf met een fotobewerkingsprogramma gedeeltelijk opscherpen.
Wanneer je een RAW-bestand controleert via het LCD-schermpje van de camera, zie je geen RAW-bestand maar een JPG-thumbnail van het originele RAW-bestand.
Dit is een gecomprimeerd JPG-bestand met minder kleur- en detailinformatie dan het originele RAW-bestand.
Elk cameramerk geeft het RAW-bestand een eigen naam.
De extensie bij Canon-camera’s is .CR2 en voor Nikon-camera’s is dat .NEF
Een RAW-bestand is vele malen groter dan een JPG-bestand. Daardoor gaan er minder RAW-bestanden op een SD-kaart dan wanneer je fotografeert in het JPG-formaat.
Voor meer informatie over RAW, ga naar wikipedia.org
RAW-bestanden moet je bewerken met een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop, Adobe Lightroom of een programma dat je gratis kan downloaden via
nikon.nl of
canon.nl of een programma
via je eigen cameramerk.
Opdracht
1. Verander de RAW-instelling, via het menu > kwaliteit, in JPG (L).
2. Maak een foto.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Compositie
Een goede compositie kan ervoor zorgen dat een foto interessant en/of mooi wordt. Compositie is in feite een ordening van elementen en licht in het beeldvlak.
Een fotograaf kan personen of voorwerpen vooraf op een uitgezochte plek zetten.
Een fotograaf kan ook de camera verplaatsen totdat de opbouw van het beeld klopt.
Centrale compositie
Door het centreren van het onderwerp krijgt de foto balans. Deze techniek werkt het beste bij een compositie met weinig elementen in beeld.
Voorbeelden van een centrale compositie kun je bekijken via google.com
Regel van derden
De regel van derden geeft in veel gevallen een zeer prettig ogende beeldvulling.
Het maakt een foto interessanter door het onderwerp bij of op een snijpunt en/of lijn te plaatsen.
Voorbeelden kun je bekijken via google.com
Gulden snede / gouden verhouding
De gulden snede / gouden verhouding kun je vertalen naar een spiraalvorm (Fibonacci). Het komt ook voor in de architectuur, schilderkunst en in de natuur.
Meer informatie over de gulden snede kun je vinden op wikipedia.org
Voorbeelden van de gulden snede of gouden verhouding kun je bekijken via google.com
Voor informatie over Fibonacci, ga naar wikipedia.org
leidende lijnen
Leidende lijnen zijn een manier om de aandacht van de kijker te sturen. Je ogen volgen de lijnen.
Voorbeelden van leidende lijnen kun je bekijken via google.com
Kadreren
Het doel is om een compositie te creëren die de aandacht op het onderwerp vestigt, bijvoorbeeld door het raam of de deuropening van een auto.
Voorbeelden van kadreren kun je bekijken via google.com
Liggend formaat
Liggend formaat, ook wel landschap genoemd, wordt het meest gebruikt bij het fotograferen van landschappen en architectuur.
Deze klassieke benadering van fotograferen is vaak beter dan in het staande formaat.
Afhankelijk van het onderwerp kan ook een staande formaat aantrekkelijk zijn om een landschap te fotograferen.
Voorbeelden van een liggend formaat kun je bekijken via google.com
Staand formaat
Staand formaat wordt vaak gebruikt bij het fotograferen van portretten. Daarmee is niet gezegd dat je hiervoor moet kiezen.
Is de omgeving bij het maken van een portret ook belangrijk, dan is het liggend formaat de betere keuze.
Voorbeelden van een staande formaat kun je bekijken via google.com
Vierkant formaat
Het onderwerp in het midden plaatsen brengt rust in een foto.
Achteraf een uitsnede maken van een liggend of staande formaat naar een vierkant formaat kan prima.
Voorbeelden van een vierkant formaat kun je bekijken via google.com
Onscherpe achtergrond
Onscherpte in de achtergrond zorgt ervoor dat de aandacht vooral naar het onderwerp gaat.
Voorbeelden van een onscherpe achtergrond kun je bekijken via google.com
Onscherpe voorgrond
Onscherpe personen of objecten op de voorgrond creëren een gevoel van diepte.
Een oninteressante voorgrond kan storend zijn en daardoor te veel aandacht vragen.
Voorbeelden van een onscherpe voorgrond kun je bekijken via google.com
Positieve en negatieve ruimte
De positieve ruimte is het hoofdonderwerp. De negatieve ruimte is de ruimte rondom het hoofdonderwerp.
Deze negatieve ruimte benadrukt het hoofdonderwerp in de foto. De relatieve leegte en rust eromheen versterken de compositie.
Voorbeelden van positieve en negatieve ruimte kun je bekijken via google.com
Juxtapositie
Juxtapositie vindt plaats wanneer je twee contrasterende onderwerpen onder, naast, boven of achter elkaar plaatst.
Voorbeelden van juxtapositie kun je bekijken via google.com
Alles is goed
Een klassieke benadering voor een compositie kan je helpen om een betere foto te krijgen.
Afwijken van klassieke compositieregels is gezond. Fotografeer en experimenteer. Alles wat je doet, is goed.
Voor meer informatie over compositie, ga naar wikipedia.org
Opdracht
1. Bekijk de verschillende compositieregels via de linkverwijzingen.
Objectieven
Een voordeel van een spiegelreflex- of systeemcamera is dat je van objectief kan wisselen.
Bij een compactcamera zit het objectief vast aan de camera.
Een objectief heeft lenzen. Met objectief bedoelen we het hele apparaat en de lens is een van de glazen elementen van het objectief.
Of je nu het woord objectief of lens gebruikt, maakt niet uit. Beide woorden omschrijven vandaag de dag hetzelfde. Objectieven / lenzen zijn er in diverse soorten.
Prime-objectief
Een prime-objectief heeft een vaste brandpuntsafstand. Zoomen is niet mogelijk.
Voorbeelden van een prime-objectief kun je bekijken via google.com
Zoomobjectief
Een zoomobjectief heeft een variabele brandpuntsafstand. Een zoomobjectief geeft twee waarden aan.
Een minimale en maximale waarde. Dit noemen we het zoombereik. Bijvoorbeeld een 18-55mm of 70-200mm objectief.
Voorbeelden van een zoom objectief kun je bekijken via google.com
Teleobjectief
Elk objectief boven de 70mm wordt een teleobjectief genoemd. Met een teleobjectief kun je onderwerpen dichtbij halen.
Dit soort objectieven hebben een vaste brandpuntsafstand. Hiermee kun je niet in- of uitzoomen.
Voorbeelden van een teleobjectief kun je bekijken via google.com
Groothoekobjectief
Dit objectief kan veel van de omgeving tonen in een foto. Dit komt door de korte brandpuntsafstand die een groothoekobjectief heeft.
Dit soort objectieven zijn zeer geschikt om te gebruiken bij architectuur- en landschapsfotografie. Bijvoorbeeld het veelgebruikte 24mm objectief.
Een 16-35mm objectief kan zoomen en is ook een groothoekobjectief of groothoekzoomobjectief.
Voorbeelden van een groothoekobjectief kun je bekijken via google.com
Macro-objectief
Met een macro-objectief kun je kleine onderwerpen dichtbij fotograferen.
Bij een macro-objectief is de beeldverhouding meestal 1:1.
Deze beeldverhouding geeft aan dat het onderwerp, in het echt, even groot is als dat het door de beeldsensor wordt geregistreerd.
Een voorwerp van 1 centimeter vult dus 1 centimeter op de sensor.
Voorbeelden van een macro-objectief kun je bekijken via google.com
Fisheye-objectief
Dit is een objectief waarmee je met 180 graden (of meer) zicht een foto kan maken.
Voorbeelden van een fisheye-objectief kun je bekijken via google.com
Tilt-shift-objectief
Bij een Tilt-shift-objectief valt het beeld met een andere hoek op de beeldsensor, waarmee je een perspectivische vertekening kan corrigeren.
Daarnaast kan dit objectief ook goed gebruikt worden om meer of juist minder scherptediepte te krijgen.
Voorbeelden van een Tilt-shift-objectief kun je bekijken via google.com
De meeste deelnemers aan de workshop bezitten een APS-C camera met een kitlens.
Een kitlens is meestal een 18-55mm, f/3.5-5.6 zoomobjectief. Prima voor algemeen gebruik, maar dit soort objectieven geven weinig onscherpte in de achtergrond.
Voor meer onscherpte in de achtergrond adviseer ik een ander objectief.
Afhankelijk van het merk is er tussen de € 120,- en € 200,- een
Canon EF 50mm f/1.8 objectief of een
Nikon AF-S 50mm f/1.8 objectief
te koop waarmee je betere portretfoto’s kan maken.
Deze objectieven zijn licht van gewicht, maken scherpe foto’s en geven een goede onscherpte in de achtergrond.
Bij een APS-C camera met een 50mm objectief zal het objectief zich gedragen als een 75mm (x1,5 Nikon-cropfactor) of een 80mm (x1,6 Canon-cropfactor) lens.
Een ander alternatief voor de kitlens is de Canon EF-S 24mm f/2.8 objectief.
Voor Nikon APS-C camera’s is dit de Nikkor Z DX 24mm f/1.7 objectief.
Bij een APS-C camera met een 24mm objectief zal het objectief zich gedragen als een +/- 35mm objectief (x1,5 Nikon-cropfactor en x1,6 Canon-cropfactor).
Afhankelijk van het merk liggen de prijzen tussen de € 150,- en € 320,-.
Objectief wisselen
Schakel de camera uit bij het wisselen van objectieven.
Houd de objectiefontgrendeling ingedrukt terwijl je het objectief naar rechts draait.
Plaats na het verwijderen van het objectief de lensdoppen op het objectief.
Bij het plaatsen van een objectief leg je de bevestigingsmarkeringen (mits aanwezig) van het objectief en de camera op één lijn.
Draai het objectief naar links totdat het op zijn plaats klikt.
Wanneer je het objectief verwisselt, zie je de sensor van je camera. Houd de camera met de sensor naar beneden gericht.
Er kunnen anders stofdeeltjes op de sensor terechtkomen. Deze stofjes kun je later terug zien als ronde, grijze vlekjes in je foto.
Statieven
Een statief is een handig hulpmiddel voor het fotograferen met lange sluitertijden of het maken van meerdere belichtingen van hetzelfde onderwerp.
Er zijn verschillende soorten statieven.
Tripod
Een tripod is het meest gebruikte type statief en wordt ook wel een driepootstatief genoemd.
Statieven worden van aluminium, carbon of staal gemaakt.
Een aluminium statief is licht en goedkoop qua prijs. Carbon dempt de trillingen beter en is fijner buiten in de kou. Staal blijft sterk en is goedkoper dan carbon.
Deze statieven worden gebruikt voor portret-, architectuur- en landschapsfotografie en voor het maken van foto’s met een lange sluitertijd en/of
meerdere belichtingen van hetzelfde onderwerp.
Voor meer informatie over tripods, ga naar google.com
Monopod
Een monopod blijft niet zelfstandig staan, maar heeft als voordeel dat deze snel op te zetten is. Dit type statief heeft één poot.
Deze statieven worden voornamelijk gebruikt door sportfotografen die werken met grote, zware telelenzen.
Voor meer informatie over monopods, ga naar google.com
Ministatief
Ministatieven zijn klein en makkelijk mee te nemen. Dit soort statieven zijn handig voor op vakantie of als tafelstatief.
Er zijn ministatieven die beschikken over flexibele pootjes die je bijvoorbeeld om een tak van een boom kunt klemmen.
Voor meer informatie over ministatieven, ga naar google.com
Geheugenkaart
Een SD-kaart (Secure Digital) is de meest voorkomende geheugenkaart voor een camera.
Een geheugenkaart heeft een schrijf- en leessnelheid. Op de kaart staat dit uitgedrukt in MB per seconde (MB/s).
De schrijfsnelheid is belangrijk als je fotografeert met grote bestanden. Deze is afhankelijk van de cameraresolutie (aantal megapixels),
het bestandsformaat (JPG of RAW) en wanneer je veel foto’s achter elkaar maakt.
Wanneer de schrijfsnelheid van de kaart te laag is en de buffer van de camera vol zit,
kun je geen foto’s maken, totdat de eerder gemaakte foto’s zijn opgeslagen op de SD-kaart.
Nadat de fotobestanden op de laptop zijn gezet, kun je de fotobestanden op je SD-kaart verwijderen door de kaart te formatteren via het menu van de camera.
Voor meer informatie over de SD-kaart, ga naar
cameraland.nl,
cameranu.nl of
kamera-express.nl
Foto laten printen
Duurdere fotovaklabs leveren meestal mooiere prints met betere kleuren met meer detail.
Deze fotovaklabs zijn interessant als je foto’s belangrijk zijn om op te hangen, bijvoorbeeld thuis of voor een expositie.
Goedkopere opties zijn prima voor normale foto’s, zoals vakanties, maar de kwaliteit kan iets minder zijn.
Ook kleurprofielen spelen een rol. Veel diensten bewerken je foto automatisch nog een beetje, maar dat wil je niet als je de foto zelf al hebt bewerkt.
Het resultaat kan daardoor een beetje afwijken.
Als je echt precies wilt dat de kleuren kloppen, kun je met het kleurprofiel werken waarmee er wordt geprint.
Vraag bij het fotovaklab met welk kleurprofiel ze printen, zodat je de foto kunt finetunen.
Wil je de mooiste kwaliteit, ga je voor een professioneel fotovaklab. Wil je prima foto’s voor een lage prijs of snel resultaat, dan zijn er goedkopere opties.
Voor informatie over Albelli, ga naar albelli.nl – Prima kwaliteit uit Den Haag.
Voor informatie over CEWE, ga naar cewe.nl – Prima kwaliteit uit Nunspeet.
Voor informatie over Foto Bertelink, ga naar fotobertelink.nl – Prima kwaliteit uit Hengelo.
Voor informatie over HEMA, ga naar hema.nl – Prima kwaliteit uit Nederland.
Voor informatie over Pixum, ga naar pixum.nl – Prima kwaliteit uit Keulen, Duitsland.
Voor informatie over ProFotonet, ga naar profotonet.com – Topkwaliteit uit Cappele aan den IJssel.
Voor informatie over Saal-digital, ga naar saal-digital.nl – Topkwaliteit uit Röttenbach, Duitsland.
Voor informatie over WhiteWall, ga naar whitewall.com – Topkwaliteit uit Berlijn, Duitsland.
Voor informatie over Wilcovak, ga naar wilcovak.nl – Topkwaliteit uit Hoogeveen.
Vasthouden
Met een relatief lange sluitertijd, bijvoorbeeld 1/30 seconde, is het belangrijk dat je de camera goed vasthoudt.
Het niet goed vasthouden van de camera kan leiden tot bewegingsonscherpte.
Een vuistregel is dat de brandpuntsafstand de minimale sluitertijd bepaalt.
Fotografeer je met een 200mm objectief, dan kun je met een minimale sluitertijd van 1/200 seconde de camera stilhouden.
Gebruik je een 50mm objectief, dan kun je een minimale sluitertijd gebruiken van 1/50 seconde.
Fotografeer je met een spiegelreflex- of systeemcamera, houd je linkerhand dan onder de camera.
De body van de camera rust op je handpalm. Je duim en wijsvinger houden het objectief aan de zijkant vast.
Met de duim en wijsvinger kun je dan eventueel zoomen en/of scherpstellen. De wijsvinger van je rechterhand zit op de sluiterknop.
De andere vingers van je rechterhand houden het handgreepgedeelte van de camera vast. Je rechterduim zit dan doorgaans aan de achterkant van de camera.
Duw je armen en ellebogen licht tegen de voorkant van je lichaam. Om stabiel te staan, zet je de ene voet een beetje voor de andere.
Opdracht
1. Oefen dit.

Begrippenlijst
A
AE lock
Auto-exposure lock. De mogelijkheid van je camera om de belichting vast te zetten.
A-sferisch
Een A-sferisch objectief heeft lenzen die het binnenkomende licht anders breken dan een normale lens.
Een normale lens is bol. Een A-sferische lens heeft een afwijkende vorm. Hiermee kunnen bepaalde fouten beter gecorrigeerd worden.
APS-C camera
APS-C staat voor Advanced Photo System type-C. Het verschil met een full-frame camera is het formaat van de sensor.
Een APS-C camera heeft ongeveer een 1,5x kleinere sensor dan een full-frame camera.
Artefact
Een artefact is een afwijking in het beeld, veroorzaakt door de lens in het objectief, sensor, software in de camera of het fotobewerkingsprogramma.
Auto-bracketing
De mogelijkheid om twee tot drie beelden automatisch achter elkaar te nemen met verschillende belichtingen.
B
B-instelling
Bulb. Instelling van de sluitertijdenknop, waarbij de sluiter open blijft staan zolang de ontspanknop blijft ingedrukt.
Back button focus
Back button focus is een knop om scherp te stellen zonder de ontspanknop te gebruiken.
Bij back button focus wordt de AF-ON knop aan de achterkant van de camera gebruikt om scherp te stellen.
Banding
Banding is een vorm van een patroon waarbij er bolvormige, horizontale lijnen ontstaan tussen de kleurgradaties.
Beeldstabilisatie
Een systeem dat ervoor zorgt dat beweging van de camera gecompenseerd wordt.
Beeldverhouding
Beeldverhouding, of aspect ratio, is de verhouding tussen de breedte en hoogte van een foto, zoals 4:3 of 16:9.
Beeldvlak
Het beeldvlak is de ruimte waarin beeldelementen worden geplaatst en de begrenzing ervan.
Belichtingstrap
Je maakt meerdere extra opnamen, die boven of onder de gemeten lichtwaarde liggen. Meestal zijn dit 1/3 of 1/2 stops meer of minder dan de gemeten belichtingstijd.
Bokeh
Door te fotograferen met weinig scherptediepte, ontstaat er een onscherpe, wazige achtergrond. Deze esthetische kwaliteit noemen we bokeh.
Bouncecard
Een hulpmiddel op de reportageflitser om, wanneer je omhoog flitst, ook licht naar voren te krijgen.
Bracketing
Een opnametechniek waarbij meerdere opnames gemaakt worden die qua belichting allemaal iets verschillen.
C
Chromatische aberratie
Lensfout in het objectief waarbij het licht van verschillende golflengten niet op dezelfde plaats terechtkomt.
CF
Compact Flash. Samen met SD de meest voorkomende geheugenkaarten. Compact Flash heeft een relatief grote afmeting.
De kaart heeft een harde behuizing en geen uitwendige contactpunten waardoor het een vrij robuust type geheugenkaart is.
Color fringing
Color fringing zijn kleine randjes met een kleur. Vaak paars of groen. Deze ontstaan door chromatische aberratie.
Contrastomvang
Het verschil in helderheid van donker naar licht.
Croppen
Als we het hebben over het croppen van een foto, bedoelen we dat de foto wordt bijgesneden.
D
Diafragmeren
Verkleinen van de diafragma-opening door een hoger f-getal in te stellen. Hierdoor wordt minder licht doorgelaten. De scherptediepte wordt vergroot.
Dichtgelopen zwart
Clipping in het Engels. Delen van een foto zijn zo donker dat ze geen doortekening meer hebben.
DNG
Digital Negative. Een bestandsformaat van Adobe. Adobe probeert de RAW-bestanden te standaardiseren en heeft daarom Digitaal Negatief bedacht.
Doortekening
Met de doortekening wordt vaak bedoeld dat er details te zien zijn in een bepaald gebied.
DPI
Dots per inch is een eenheid van de resolutie.
Dynamisch bereik
Met het dynamisch bereik wordt het verschil tussen compleet zwart en een compleet wit beeld bedoeld.
De hoeveelheid meet je in stops.
E
EXIF
EXIF-data is informatie over je foto. Deze informatie wordt opgeslagen in het JPG- of RAW-bestand van je foto.
De verzameling van deze EXIF-gegevens noemen we metagegevens.
F
F-getal
Een schaal van getallen die de grootte van het diafragma aangeven, zoals f2.8, f4 of f5.6.
Firmware
Het besturingssysteem van de camera.
Fisheye
Objectief met een beeldhoek van 180º.
Flare
Een flare is een lichtweerkaatsing in de lens van het objectief die vlekken, strepen of cirkels in een foto geeft.
Flitssynchronisatie
De juiste sluitersnelheid die synchroniseert met de flitser.
Four Thirds-sensor
Een beeldsensor met de afmetingen 13,5 x 18 millimeter.
Full-frame camera
De sensor in een full-frame camera is hetzelfde formaat als een analoge 35mm filmrolletje.
Het voordeel van een grotere beeldsensor is dat de beeldkwaliteit, met name bij hoge ISO-waarden, beter is.
Een beeldsensor met de afmetingen 22 x 36 millimeter.
G
Gevoeligheid
De gevoeligheid of ISO bepaalt hoe lang een beeldsensor moet worden belicht om een correcte belichting te krijgen.
Hoe hoger de gevoeligheid van de sensor, hoe minder lang de sensor moet worden belicht.
H
Hard licht
Door het onderwerp in de volle zon te fotograferen, krijg je hard licht en daarmee ook harde schaduwpartijen.
High-key
Een foto die grotendeels uit lichte tinten bestaat.
Histogram
Een histogram is een grafische weergave van de verdeling van helderheid in een foto.
Je gebruikt het om de belichting te beoordelen en eventuele over- of onderbelichting te herkennen.
Hoofdlicht
Voornaamste lichtbron in een studio-opstelling.
Hyperfocale afstand
Dit is de scherpstelafstand waarbij de grootste mogelijke scherptediepte ontstaat, zodat zowel de voorgrond als de achtergrond voldoende scherp worden weergegeven.
In de praktijk levert een diafragma van ongeveer f/8 tot f/11 vaak de beste combinatie op van voldoende scherptediepte en optimale beeldkwaliteit.
I
Indirect flitsen
Verstrooiing van flitslicht door een reflecterend oppervlak. Bijvoorbeeld via het plafond of een muur.
Instellicht
Continu brandende lamp bij studioflitsers. Dit geeft de mogelijkheid om te zien hoe het licht valt.
Invulflits
Het toevoegen van flitslicht aan schaduwpartijen om het contrast van een foto te verminderen.
ISO
Industry Standard Optics. ISO wordt gebruikt als aanduiding voor film- of sensorgevoeligheid.
K
Kleurenfilters
Bij zwart-wit fotografie versterken de kleurenfilters in de kleuren rood, oranje en geel, het contrast.
Kleurzweem
Overheersende kleur of sluier over de foto. Een kleurzweem kan het gevolg zijn van een verkeerd ingestelde witbalans.
L
Lenscompressie
Lenscompressie bij teleobjectieven zorgt ervoor dat onderwerpen dichter bij elkaar lijken te staan dan in werkelijkheid het geval is.
Lens flare
Licht dat rechtstreeks van een lichtbron, zoals de zon, in het objectief schijnt en gaat reflecteren tussen de verschillende lenselementen.
Deze interne reflectie in het objectief kan ervoor zorgen dat er strepen of cirkels ontstaan.
Lichtsterk objectief
We noemen een objectief lichtsterk als er een voor grote diafragma-opening gekozen kan worden, zoals f/1.4 of f/2.8.
Live View
Het systeem waarbij je via het camerascherm je onderwerp in beeld ziet.
Low-key
Een foto waarvan het grootste gedeelte uit donkere tinten bestaat
M
Middengrijs
Gemiddeld helderheidsniveau tussen hoge lichten en schaduwpartijen.
O
Onderbelichting
Wanneer het onderwerp op de foto te donker is, spreken we van onderbelichting.
Opvallende lichtmeting
Meting van het licht dat het voorwerp verlicht. Dit opvallende licht meet je met een losse lichtmeter.
Overbelichting
Te veel licht, door een te lange sluitertijd of een te groot diafragma.
Overstraling
Veroorzaakt door verstrooiing en reflectie.
P
Panning
Meebewegen met je onderwerp tijdens het fotograferen.
Pixels
Pixels zijn de lichtgevoelige puntjes op de beeldsensor.
Polarisatiefilter
Een filter dat reflecties van oppervlakken weghaalt en de kleurverzadiging verhoogt.
Prime objectief
Lenzen met een vaste brandpuntafstand.
R
RAW
Een RAW-bestand bevat de ruwe informatie die de beeldsensor heeft vastgelegd. RAW-bestanden moet je nabewerken met een fotobewerkingsprogramma.
Reflectiescherm
Een scherm om licht terug te laten kaatsen.
RGB
RGB is een kleursysteem waarbij de kleuren gevormd worden door het mengen van Rood, Groen en Blauw.
Reportageflitser
Een reportageflitser is een draagbare flitser die wordt gebruikt om licht toe te voegen tijdens het fotograferen.
Het kan worden bevestigd op de camera of op afstand worden bediend.
Resolutie
De resolutie staat in principe voor het aantal pixels (beeldpunten) op je beeldscherm.
De term resolutie wordt gebruikt om het aantal pixels van een fotobestand aan te geven. Hoe hoger de resolutie, hoe meer detaillering er zichtbaar kan zijn in een foto.
Richtgetal
Het richtgetal van een flitser bepaalt de lichtopbrengst.
Ruis
Ongewenste storingen in een beeld. Ruis is zichtbaar als puntjes van een andere kleur, meestal rood of groen.
Ruis ontstaat onder andere bij lange sluitertijden en/of hoge ISO-waarden.
S
Sluiter
De sluiter zorgt ervoor dat er geen licht op de sensor of analoge film kan vallen.
Op het moment dat de ontspanknop ingedrukt wordt, opent zich de sluiter voor een belichting.
Sluitersnelheid
Duur van de belichting weergegeven in fracties van seconden.
Spotmeting
Het meten van een zeer klein oppervlak van licht. Meestal is dat 1% in het midden van het totale beeld.
Stop
Jargon om de verschillende waarden van diafragma, sluitertijd en ISO met elkaar te kunnen vergelijken.
Synchronisatietijd
De sluitertijd op de camera waarbij geflitst kan worden.
T
Tethered
De camera is met een kabel verbonden aan een computer. Elke foto die je maakt, wordt meteen weergegeven op een beeldscherm.
TIFF
Een bestandsformaat.
Tonvormige vertekening
Fout van de lens waarbij het beeld tonvormig wordt.
Tussenring
Een ring die tussen het objectief en de camera wordt gezet voor macrofotografie. Het is een betaalbaar alternatief voor een macro-objectief.
U
Urbex
De benaming van fotografen die zich bezighouden met het fotograferen van oude, leegstaande en/of vervallen gebouwen.
UV-filter
Een filter dat UV-licht, een blauwkleurige zweem, tegenhoudt.
V
Vaste brandpuntafstand
Een objectief waarvan de brandpuntsafstand niet variabel is.
Verscherpen
Verscherpen is een fotobewerkingsproces waarbij de contouren van objecten in een foto worden versterkt om de scherpte te verbeteren.
Vertekening
Tonvormige vertekening zie je vaak bij groothoeklenzen en kussenvormige vertekening bij telelenzen.
Vignettering
Wanneer het licht in de hoeken meer of minder is dan in het midden van de foto.
W
Witbalans
De witbalans bepaalt de kleurtemperatuur van de foto en wordt uitgedrukt in Kelvin.
Een juiste witbalans zorgt ervoor dat de kleuren op de foto er net zo uitzien als in het echt.
Z
Zelfontspanner
De zelfontspanner op een camera maakt een vertraging van een aantal seconden tussen het indrukken van de knop en het maken van de foto.
Ideaal om trillingen bij lange sluitertijden te voorkomen.
Handleidingen
In grote lijnen geeft elk display hetzelfde weer. Indeling, symbolen en benamingen verschillen per merk en type camera.
Begrijp je de symbolen en benamingen van je eigen camera niet, raadpleeg dan je camera-handleiding.
Camerahandleidingen kun je downloaden via
handleidingkwijt.com
Huiswerk
Opdracht 1
Fotografeer en experimenteer.
Opdracht 2
Maak een map aan op het bureaublad van je laptop. Kopieer foto’s van het internet die je interessant, goed en/of mooi vindt naar deze map.
Probeer vervolgens te verwoorden waarom je deze foto’s interessant, goed en/of mooi vindt.
Kijk daarbij naar verschillende aspecten van de foto. Hoe is de compositie opgebouwd?
Is er gefotografeerd met daglicht, kunstlicht of flitslicht en welke sfeer geeft dat licht?
Hoe zit het met de scherptediepte: is die groot of juist klein? Ligt de scherpte op de juiste plek?
Probeer ook in te schatten welk objectief en diafragma zijn gebruikt.
Doe dit bij elke foto die je analyseert. In het begin kan dat lastig zijn, maar na verloop van tijd word je er handiger in.
Dit proces helpt je uiteindelijk om bewuster te kijken en betere foto’s te maken.
Voor inspiratie, ga naar google.com
Voor het werk van 600 nationale en internationale fotografen, ga naar pinterest.com/renefokkink
Slotwoord
Blijf enthousiast tijdens het fotograferen. Dat is de beste basis voor je verdere ontwikkeling.
Deze workshop vormt dan ook een goed startpunt om je daarbij te helpen.
Wil je na deze workshop verdere begeleiding, dan is dat zeker mogelijk. Neem eens een kijkje bij de workshop gevorderd.
Je kan er ook voor kiezen om een workshop te volgen die beter aansluit bij jouw interesses. Misschien landschapsfotografie?
Er zijn veel goede fotografen met verschillende specialisaties die workshops aanbieden.


Gevorderd
Tijdens deze tweedaagse workshop verschuift de nadruk van het aanleren van basisvaardigheden naar het verbreden van je technische kennis en het ontwikkelen
van een persoonlijke, creatieve stijl. Waar je tijdens de basis vooral leert hoe je met sluitetijd, diafragma, en ISO moet werken,
draait het tijdens de workshop om het bewust en creatief inzetten van deze instellingen.
Je leert verder kijken dan de automatische stand en krijgt meer controle over belichting, zelfs bij uitdagende lichtsituaties.
Tegelijkertijd wordt er veel aandacht besteed aan compositie en beeldopbouw om krachtige en interessante foto’s te maken.
De tweedaagse workshop staat in het teken van reflectie en verdieping.
Tussen de twee dagen door kun je met huiswerk aan de slag en het geleerde in de praktijk toepassen.
Tijdens deze workshop komen onder andere de volgende onderdelen aan bod:
– Licht en belichting
– Compositie en beeldopbouw
– Seriematig werken
– Bewuster kijken en fotograferen
– Verbreding van je technische kennis
Aan het eind van de workshop bespreken we de gemaakte foto’s en theoretische kennis.
Je kan kiezen uit de volgende data:
Geen les in 2026
Aantal deelnemers
Niveau
Studieduur
Tijdstip
Tarief
Vertrekpunt
1 – 2 personen
Gevorderd
4 uur
10.00 – 14.00 uur
€ 100,- p.p.
In overleg
Bij aanmelding je naam en workshopdatum vermelden.
Lees de algemene voorwaarden
Ter voorbereiding op de workshop lees je het lesmateriaal.
Inleiding
Deze workshop is bedoeld voor fotografen die de basisprincipes beheersen en zich verder willen ontwikkelen op zowel technisch als creatief vlak.
Je fotografeert in de M-stand om volledige controle te krijgen over de belichting.
De focus ligt op het ontwikkelen van een eigen stijl en visie. Daarnaast ga je leren denken in beeldseries en sterke enkelvoudige foto’s.
Je leert precies welke stappen nodig zijn om de beelden te maken die je voor ogen hebt.
Techniek is geen doel op zich, maar een middel. In de fotografie is technische beheersing belangrijk om tot sterke beelden te komen.
Hoe minder je hoeft na te denken over je camera-instellingen, hoe meer aandacht je kunt geven aan het onderwerp, het moment en de compositie.
Wanneer de techniek vanzelfsprekend wordt, ontstaat er ruimte voor creativiteit. Je kijkt bewuster, reageert sneller en kunt intuïtiever fotograferen.
Dat betekent niet dat techniek belangrijker is dan gevoel of inhoud, maar wel dat een goede technische kennis je helpt om je ideeën beter vast te leggen.
Ik ga ervan uit dat veel van de technische onderwerpen die hier worden besproken al bekend voor je zijn.
Is dat niet het geval, neem dan toch de tijd om ze door te lezen.
Soms levert een kleine aanpassing een groot verschil op in het eindresultaat.
Histogram
Camerascherm
Grijskaart
Dynamisch bereik
Belichtingsdriehoek
Brandpuntafstand
Scherptediepte
Filters
Bracketing
HDR-foto
Belichten op rechts
Belichten op links
Aberratie
Software
Beeldscherm
Kleurruimte
Photo stitching
Focus stacking
Histogram
Een histogram is een grafische weergave van de helderheid in je foto.
Het laat zien hoe de donkere en lichte delen in een foto zich tot elkaar verhouden.
De linkerkant staat voor zwart en diepe schaduwen, de rechterkant voor wit en felle hooglichten. Alles daartussen zijn middentonen.
Met het luminantie-histogram kun je beoordelen of er in de donkere en lichte delen van de foto informatie zit.
Elke pixel in de foto heeft een waarde tussen 0 en 255. 0 is zwart, links op het histogram. 255 is wit, rechts op het histogram.
Hoe een histogram eruitziet, is afhankelijk van het onderwerp en de lichtomstandigheden.
Daarnaast is er het RGB-histogram. Daarbij zie je afzonderlijk hoeveel rood, groen en blauw aanwezig is.
Dat is handig omdat een foto technisch goed belicht kan lijken, terwijl één kleurkanaal al is uitgebeten.
Denk bijvoorbeeld aan een felrode zonsondergang waarbij het rode kanaal helemaal vastloopt.
Een goed histogram heeft niet één perfecte vorm. Een donkere nachtscène hoort vooral links te zitten.
Een sneeuwlandschap juist meer rechts. Het histogram moet passen bij de scène die je fotografeert.
Waar je vooral op let, is of de grafiek hard tegen de linker- of rechterrand geplakt zit.
Wanneer alles links tegen de rand botst, verlies je detail in de schaduwen. Dat heet clipping. Zwarte delen lopen dan dicht.
Zie je juist een grote piek tegen de rechterkant, dan zijn hooglichten uitgebeten en verdwijnen details in lichte delen zoals wolken, huid of witte kleding.
Bij onderbelichting zie je meestal dat het histogram zwaar naar links leunt. De foto oogt donker en mist detail.
Om dit te corrigeren kun je een groter diafragma gebruiken, de sluitertijd verlengen of de ISO verhogen.
In handmatige modus schuift het histogram dan langzaam meer naar het midden of iets naar rechts.
Bij overbelichting gebeurt het tegenovergestelde. Het histogram duwt tegen de rechterkant aan. Witte delen verliezen structuur en worden puur wit.
Dan moet je een kleiner diafragma, kortere sluitertijd of lagere ISO-waarde gebruiken. Je ziet het histogram weer van de rand loskomen.
Bij portretfotografie kijk je vaak of huidtinten niet te ver naar rechts schieten. Bij landschappen controleer je vooral luchten en wolken.
Bij concert- of straatfotografie accepteer je soms bewust diepe schaduwen links in het histogram omdat sfeer belangrijker is dan volledige detailweergave.
Voor meer informatie over histogram, ga naar wikipedia.org

Camerascherm
Het merendeel van de cursisten fotografeert in 2017 met een Nikon D5600 camera. Dit is een overzicht van de verschillende symbolen op het scherm.

1 Stand Manueel |
2 Sluitertijd |
3 Diafragma |
4 Belichtingsaanduiding |
5 Scherpstelpunten |
6 Ontspanstand Enkel beeld (S) |
7 ISO |
8 Aantal resterende opnamen |
9 RAW + JPG Fijn |
10 Beeldformaat L = Large |
11 Bracketing |
12 High Dynamic Range |
13 Actieve D-Lighting |
14 Auto witbalans |
15 ISO |
16 Picture control |
17 Autofocus Automatisch |
18 Automatisch veld-AF |
19 Lichtmeting methode |
20 Flitsstand |
21 Flitscorrectie |
22 Belichtingscorrectie |
23 Help |
24 Info |
25 Toewijzing Functie |
26 Vignetteringscorrectie |
27 Vibratiereductie |
28 Accu
In grote lijnen geeft elk schermpje hetzelfde weer. Indeling, symbolen en benamingen verschillen per merk en type camera.
Begrijp je de symbolen en benamingen niet, raadpleeg dan je camera-handleiding.
Camerahandleidingen kun je downloaden via
handleidingkwijt.com
Grijskaart
Een grijskaart heeft een geijkte kleur grijs. Dit is 18% grijs met een sRGB-waarde van 119(R), 119(G), 119(B).
Je gebruikt deze kaart als referentiepunt voor het bepalen van de witbalans en/of een goede belichting.
De 18% grijswaarde is ook de waarde waarop een lichtmeter van een camera is geijkt.
Met de camera in de automatische stand, kunnen afwijkingen ontstaan in de kleuren en belichting wanneer het onderwerp geen 18% licht terugkaatst.
Fouten in de belichting kunnen ontstaan bij veel witte en/of donkere partijen in je beeld.
Wanneer je de camera op een grijskaart richt en het opvallende licht meet, krijg je een goede belichting.
Zet hiervoor de camera in de M-stand en meet de sluitertijd met de grijskaart vol in beeld.
Pas deze sluitertijd toe op je onderwerp. Het licht op de grijskaart moet hetzelfde zijn als op het onderwerp.
Wanneer je in RAW fotografeert, kun je altijd de witbalans aanpassen met bijvoorbeeld Adobe Photoshop of Adobe Lightroom.
Voor meer informatie over grijskaarten, ga naar wikipedia.com
en naar google.com
Dynamisch bereik
Je oog kan midden op de dag zowel in de lichte als in de donkere delen van een scène nog voldoende details waarnemen.
Een camerasensor heeft hier echter meer moeite mee door het beperkte dynamisch bereik.
Het dynamisch bereik is het verschil tussen de lichtste delen en de schaduwen in een foto.
Door te fotograferen in het RAW-formaat kun je in de nabewerking nog details terughalen tot ongeveer 4 stops.
In de praktijk kan het verschil tussen de lichtste en donkerste delen van een scène meer dan 14 stops zijn.
Dit betekent dat je camera sommige details niet registreert. Door het beperkte dynamisch bereik worden schaduwen te donker en lichte delen te wit.
In dat geval moet je meerdere foto’s maken van hetzelfde onderwerp. Die doe je door bracketing toe te passen in combinatie met een statief zodat de compositie hetzelfde blijft.
Belichtingsdriehoek
De belichtingsdriehoek zegt inhoudelijk niets over welke belichting je moet maken.
Het maakt inzichtelijk welke invloed de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde op elkaar kunnen uitoefenen
bij een correcte lichtmeting die de camera heeft gemaakt.
Je kan de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde zodanig aanpassen dat de belichting niet verandert. De sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde werken samen.
Verander je er één, dan moet je ook een andere aanpassen wanneer je dezelfde belichting wil houden.
In dat geval krijg je geen over- of onderbelichting.
Stel, je hebt een sluitertijd van 1/60s, diafragma f/5.6 en ISO 400 (groene lijn) bij een belichtingsmeting. Je bent niet tevreden met de ingestelde ISO-waarde.
Verander je nu de ISO-waarde van ISO 400 naar ISO 100, dan moet je dit compenseren met een andere sluitertijd en/of het diafragma.
Je kiest voor het veranderen van het diafragma. Je compenseert het diafragma naar f/2.8 (blauwe lijn) om dezelfde belichting te houden.
Voor meer informatie over de belichtingsdriehoek, ga naar google.com

Brandpuntsafstand
De brandpuntsafstand bepaalt, in combinatie met de grootte van de beeldsensor, de beeldhoek.
Hoe groter de beeldhoek, hoe korter de brandpuntsafstand, zoals bij groothoeklenzen.
Hoe kleiner de beeldhoek, hoe groter de brandpuntsafstand, zoals bij telelenzen.
De brandpuntsafstand wordt aangegeven in millimeters en staat vermeld op de rand van het objectief.
Voor meer informatie over brandpuntafstand, ga naar wikipedia.org
Scherptediepte
Bij moderne camera’s zijn vaak tientallen of zelfs honderden scherpstelpunten beschikbaar. Toch is het verstandig om niet alle scherpstelpunten
automatisch door de camera te laten kiezen. De camera weet namelijk niet welk onderwerp voor jou het belangrijkste is.
Kies daarom bij voorkeur één scherpstelpunt en plaats dit zelf op het belangrijkste deel van het onderwerp.
Op die manier houd je de volledige controle over de foto.
Wanneer de camera scherpstelt, ontstaat er een gebied dat scherp wordt weergegeven. Dit gebied ligt niet alleen precies op het scherpstelpunt,
maar loopt ook een stukje voor en achter dat punt door. Veel beginnende fotografen denken dat de scherpte zich gelijk verdeelt, maar dat is niet zo.
Ongeveer één derde van de scherptediepte ligt voor het scherpstelpunt en ongeveer twee derde ligt erachter.
Dit is een vuistregel die in veel praktijksituaties goed toepasbaar is, hoewel de exacte verdeling afhankelijk is van de afstand tot het
onderwerp en de gebruikte brandpuntsafstand.
Voor portretfotografie geeft brandpuntsafstand tussen ongeveer 85 en 135 millimeter een natuurlijke gezichtsweergave zonder vervorming.
Een 85 mm-objectief is daarom één van de populairste portretlenzen. Daarnaast zorgt een lichtsterk objectief,
bijvoorbeeld met een maximaal diafragma van f/2.0, voor een rustige, onscherpe achtergrond waardoor het model mooi loskomt van de omgeving.
Bij een portret stel je altijd scherp op het oog dat zich het dichtst bij de camera bevindt. De ogen trekken als eerste de aandacht van de kijker.
Wanneer de ogen scherp zijn, wordt een portret vrijwel altijd als scherp ervaren, zelfs wanneer de oren of de achtergrond onscherp zijn.
Gebruik hiervoor één scherpstelpunt en plaats dit precies op het oog. Vermijd het scherpstellen op de neus, het haar of de schouder,
omdat de ogen dan net buiten het scherpste gedeelte kunnen vallen, zeker wanneer je met een groot diafragma fotografeert.
Voor landschapsfotografie gelden andere regels. Hier wil je juist zoveel mogelijk van de voorgrond tot de achtergrond scherp in beeld krijgen.
Daarom wordt meestal een groothoeklens gebruikt, bijvoorbeeld tussen 16 en 35 millimeter op een fullframecamera of ongeveer 10 tot 24 millimeter op een APS-C-camera.
Een groothoeklens geeft een ruime beeldhoek en zorgt van nature voor een grotere scherptediepte dan een telelens.
Bij een landschap stel je meestal niet scherp op de voorgrond en ook niet op de verste horizon.
De beste plaats om scherp te stellen ligt vaak ongeveer op een derde van de afstand in de scène. Nog nauwkeuriger is het gebruik van de hyperfocale afstand.
Dit is de scherpstelafstand waarbij de grootste mogelijke scherptediepte ontstaat, zodat zowel de voorgrond als de achtergrond voldoende scherp worden weergegeven.
In de praktijk levert een diafragma van ongeveer f/8 tot f/11 vaak de beste combinatie op van voldoende scherptediepte en optimale beeldkwaliteit.
Tegenwoordig zijn vrijwel alle moderne systeemcamera’s uitgerust met een focus-speakingfunctie.
Met handmatig scherpstellen kun je eenvoudig je scherpte-diepte op het scherm van je camera bekijken.
Wanneer je dit correct uitvoert, is het eigenlijk niet langer noodzakelijk om met je hyperfocale punt te werken.
Het scherptebereik wordt ook wel de scherptediepte genoemd. De Engelse afkorting hiervoor is DOF, wat staat voor Depth of Field.
De scherptediepte is het gebied voor en achter het scherpstelpunt dat voor het menselijk oog nog scherp lijkt. Dit gebied wordt beïnvloed door verschillende factoren.
Een groot diafragma, zoals f/1.8, geeft een kleine scherptediepte waarbij de achtergrond snel onscherp wordt.
Een klein diafragma, zoals f/11 of f/16, zorgt juist voor een grotere scherptediepte. Ook de brandpuntsafstand speelt een rol.
Een telelens geeft minder scherptediepte dan een groothoeklens. Daarnaast heeft de afstand tot het onderwerp invloed.
Hoe dichter je op het onderwerp staat, hoe kleiner de scherptediepte wordt. Ga je verder van het onderwerp af staan, dan neemt de scherptediepte toe.
Goed scherpstellen is dus meer dan alleen op de ontspanknop drukken. Jij kiest bewust waar de aandacht van de kijker moet liggen en gebruikt de juiste lens,
het juiste scherpstelpunt en het juiste diafragma om dat effect te bereiken.
Filters
Een ronde filter schroef je op het objectief. Een vierkant of rechthoekig filter zet je met een speciale filterhouder voor het objectief.
Er zijn verschillende soorten filters die handig kunnen zijn bij landschapsfotografie.
Grijsverloopfilter
Een grijsverloopfilter is ideaal voor landschapsfotografie. Dit filter zorgt ervoor dat de lucht niet overbelicht wordt.
Fotografeer je met de zon in de rug, dan heb je niet zo snel een grijsverloopfilter nodig.
Dit filter is een rechthoekig glazen plaatje dat aan de bovenzijde doorlatend grijs is en halverwege transparant wordt.
Dit filter zit in een filterhouder voor het objectief en kan gedraaid en verschoven worden.
Met een grijsverloopfilter krijg je minder last van bewegende wolken en bomen dan wanneer je een HDR-foto maakt.
Bij het gebruik schuif je het donkere deel van het filter voor de heldere lucht, terwijl het transparante deel over de voorgrond valt.
Zo blijft er detail zichtbaar in zowel de lucht als het landschap. Kijk goed waar de horizon loopt en pas de positie van het filter daarop aan.
Bij een rechte horizon werkt een hard verloop goed, terwijl een zacht verloop beter past bij bomen, heuvels of bergen.
Voor meer informatie over grijsverloopfilters, ga naar google.com
Polarisatiefilter
Dit is een twee-in-één-filter dat onafhankelijk van elkaar gedraaid kan worden.
Een polarisatiefilter werkt het sterkst wanneer je haaks op de zon fotografeert.
Door aan het filter te draaien zie je reflecties op water, glas of natte oppervlakken verminderen en worden luchten vaak dieper blauw.
Kijk goed door de zoeker of op het scherm terwijl je draait, zodat je het effect precies kunt afstemmen op de scène.
Voor meer informatie over polarisatiefilters, ga naar google.com
ND-filter
Een ND-filter is een grijsfilter dat licht tegenhoudt voor fotograferen met lange sluitertijden. ND staat voor Neutral Density.
Er zijn ND-filters in verschillende sterktes, uitgedrukt in stops. Ze kunnen 1 tot 10 stops licht tegenhouden.
Voor een goed resultaat bij het gebruik van een ND-filter stel je de ISO-waarde zo laag mogelijk in.
Maak gebruik van een elektronische draadontspanner en zet de camera op een stevig statief.
Voor meer informatie over ND-filters, ga naar google.com
Gegevens: 11–09–2013, 06.20 uur, Canon 5D Mark II, Canon 16-35mm f/2.8 objectief, diafragma f/11, sluitertijd 120 seconden,
ISO 100, ND-Filter +10 stops, Canon electronische draadontspanner, Manfrotto statief.
Bracketing
Exposure bracketing is een functie waarbij je automatisch een reeks foto’s maakt met verschillende belichtingen.
Dit wordt ook wel een belichtingstrap genoemd.
Het is vooral handig bij lastige lichtomstandigheden, bijvoorbeeld wanneer er een groot verschil is tussen lichte en donkere delen in een scène.
In zulke situaties kan de camerasensor het contrast niet goed in één opname vastleggen, waardoor delen van de foto onder- of overbelicht raken.
Met bracketing maak je meerdere opnamen van exact dezelfde compositie, maar met verschillende belichtingen.
Daarom is het gebruik van een statief sterk aan te raden. Daarnaast is het belangrijk dat het scherpstelpunt, diafragma en ISO gelijk blijven.
Alleen de sluitertijd varieert. Een reeks kan bestaan uit drie, vijf of zeven foto’s, met telkens één of twee stops verschil in belichting.
Deze foto’s kun je later samenvoegen in een fotobewerkingsprogramma zoals Photoshop.
Daarbij worden de best belichte delen uit elke foto gecombineerd tot één foto, waarin zowel de schaduwen als de hooglichten goed zichtbaar zijn.
Niet alle camera’s beschikken over een automatische bracketingfunctie.
Toch kun je het effect vaak handmatig bereiken door gebruik te maken van belichtingscompensatie.
Je maakt dan zelf meerdere foto’s met verschillende belichtingen door de belichting telkens iets te verhogen en/of te verlagen.
Bij Canon-camera’s heet deze functie AEB (Auto Exposure Bracketing) en is deze te vinden in het menu.
Je kan daar instellen hoeveel foto’s je wilt maken en hoeveel verschil er tussen de belichtingen zit.
Bij Nikon-camera’s wordt de functie aangeduid als BKT. Afhankelijk van het model vind je deze in het menu of via een knop op de camera.
Voorbeelden van bracketing kun je bekijken via google.com
HDR-foto
Voor het maken van een HDR-foto (High Dynamic Range) gebruik je een statief om de compositie gelijk te houden.
In de bracketingstand worden meerdere foto’s achter elkaar en met verschillende belichtingen gemaakt.
Elke foto in de reeks krijgt één of twee stops verschil qua belichting.
Canon noemt bracketing AEB (Automatic Exposure Bracketing) en bij Nikon noemen ze het BKT (Bracketing).
Achteraf worden de verschillende belichte foto’s tot één samengevoegd, een HDR-foto.
Het eindresultaat is een foto met groot dynamisch bereik waarin er geen delen zijn onder- of overbelicht.
Voor het samenvoegen van een serie foto’s maak je gebruik van een programma zoals Adobe Photoshop, Adobe Lightroom of een programma dat je
gratis kan downloaden via nikon.nl of
canon.nl
of een programma via je eigen cameramerk.
Voorbeelden van een HDR-foto kun je bekijken via google.com
Tegenlicht
Bij tegenlicht zit de lichtbron, meestal de zon, achter je onderwerp.
Silhouetten, een warme gloed en mooi licht langs de rand van je onderwerp geeft sfeer.
Het is belangrijk dat je zelf kiest wat je wil. Een silhouet of detaillering in je onderwerp.
Wil je detaillering in je onderwerp, dan moet je bewust op je onderwerp belichten. Dit doe je met de spotmeting van de camera of door je belichting iets te verhogen.
Het licht is het mooist vlak na zonsopkomst of voor zonsondergang. Dan is het licht zachter en warmer. Overdag kan het licht te hard zijn.
Beweeg veel tijdens het fotograferen. Kleine veranderingen in positie maken een groot verschil.
Let op een lensflare. Dat kan storend zijn, maar ook een heel mooi effect geven.
Fotografeer altijd in het RAW-formaat, zodat je achteraf beter kunt corrigeren / finetunen.
Voorbeelden van tegelicht foto’s kun je bekijken via google.com
Belichten op rechts
Expose to the right (ETTR). Deze techniek wordt vaak gebruikt bij landschapsfotografie.
Als het onderwerp vrij donker is, kan deze techniek je helpen om een beter resultaat te krijgen.
Maak de donkere delen in je foto zo licht mogelijk met behulp van je sluitertijd.
Het objectief staat bij voorkeur op f/11. Een objectief kan bij f/11 de meeste detailleringen weergeven.
Je overbelicht de foto zodanig dat de hoge lichten niet verdwijnen. Aan de rechterzijde van het histogram mogen de tonen niet buiten het histogram komen.
In de nabewerking, bijvoorbeeld met Adobe Camera Raw of Adobe Lightroom, maak je de foto weer donkerder.
Op deze manier krijg je ook minder ruis in de donkere delen.
Een groot nadeel bij deze techniek is de kans op overbelichting in de hooglichten en dat de kleuren een beetje kunnen afwijken.
Aberratie
Chromatische aberratie is een optische fout van het objectief. Dit is zichtbaar als rode, blauwe of groene randen langs onderwerpen met een hoog contrast.
Je kunt dit voorkomen door extreme contrasten te vermijden of een kleinere diafragma-opening (een hoger getal) te kiezen.
In de nabewerking is chromatische aberratie eenvoudig te verminderen met software zoals Adobe Camera Raw.
Voorbeelden van chromatische aberratie kun je vinden via google.com
Software
Wil je kwalitatief goede foto’s dan fotografeer je in het RAW-formaat.
Dat betekent dat de camera geen bewerkingen toepast, zoals het opscherpen van de foto.
Mijn RAW-bestanden bewerk ik in Adobe Photoshop. Daarmee kan ik gedeeltelijk mijn foto lichter of donkerder maken,
storende elementen retoucheren, kleuren aanpassen, bijsnijden en achteraf de foto gedeeltelijk opscherpen.
Er zijn veel fotobewerkingsprogramma’s die RAW- en JPG-bestanden kunnen aanpassen.
RAW-bestanden bewerken kan met een gratis programma via
nikon.nl of
canon.nl of een programma
via je eigen cameramerk. Ga je voor het eerst een RAW-bestand bewerken, dan is dit een goed startpunt.
Wil je meer mogelijkheden bij het bewerken van RAW-bestanden, installeer dan een ander programma.
Adobe Photoshop
Adobe Photoshop kun je met een abonnement downloaden via adobe.com
Voor een gebruikershandleiding over Adobe Photoshop, ga naar
adobe.com/user-guide en
adobe.com/tutorials
Adobe Lightroom
Adobe Lightroom kun je met een abonnement downloaden.
Voor informatie over Adobe Lightroom, ga naar adobe.com
NIK Collection
NIK Collection zijn plugins voor Photoshop en standalone.
Voor informatie over NIK Collection, ga naar nikcollection.dxo.com
Affinity Photo
Affinity is een gratis fotobewerkingsprogramma.
Voor informatie over Affinity Photo, ga naar affinty.studio
GIMP
GIMP is een gratis fotobewerkingsprogramma waarmee je onder andere de helderheid, het contrast en de kleuren van een foto kan regelen.
Een foto bijsnijden / croppen en werken met lagen kan ook met GIMP.
RAW-bestanden kun je openen via het gratis programma Darktable. Darktable werkt prima samen met GIMP.
Voor informatie over GIMP, ga naar gimp.org
Voor de Nederlandstalige tutorial, ga naar docs.gimp.org
Voor informatie over Darktable, ga naar darktable.org
RawTherapee
RawTherapee is een gratis fotobewerkingsprogramma.
Voor informatie over RawTherapee, ga naar rawtherapee.com
Adobe Digital Negative Converter
Adobe DNG Converter is een programma waarmee je RAW-bestanden uit nieuwe camera’s kunt omzetten naar een leesbaar Photoshop-bestand.
Voor informatie over DNG Converter, ga naar helpx.adobe.com
Capture One
Capture One, ontwikkeld door Phase One, biedt geavanceerde functies voor kleurcorrectie en tethered shooting die vooral populair zijn bij studiofotografen.
Voor informatie over Capture One, ga naar captureone.com
DxO PhotoLab
DxO PhotoLab is goed met ruisonderdrukking en RAW-verwerking
Voor informatie over DxO PhotoLab, ga naar dxo.com
NX Studio
NX Studio is een fotobewerkingssoftware die is ontworpen voor het bewerken en beheren van Nikon-beelden.
Voor informatie over NX Studio, ga naar nikonimglib.com
Helicon Focus
Helicon Focus is software voor focus stacking. De focus stacking-techniek wordt vaak gebruikt in macrofotografie.
In de software kun je meerdere foto’s, met verschillende scherpstelpunten, combineren om een foto met veel scherptediepte te maken.
Voor informatie over Helicon Focus, ga naar heliconsoft.com
Rapidraw
Rapidraw is een RAW editor.
Voor informatie over Rapidraw, ga naar getrapidraw.com
Darktable
Darktable is een RAW editor.
Voor informatie over Darktable, ga naar darktable.org
Anthropics
Anthropics heeft meerdere fotobewerkingsprogramma’s, zoals LandscapePro.
Voor informatie over Anthropics, ga naar anthropics.com
Hugin
Gratis programma voor photo stitching dat vaak wordt gebruikt bij panoramafotografie.
Voor informatie over Hugin, ga naar hugin.sourcefourge.io
PTGui
Software voor Photo stitching
Voor informatie over PTGui, ga naar ptgui.com
Beeldscherm
Voor een goede fotobewerking moet je beeldscherm kleuren, helderheid en contrast natuurgetrouw weergeven.
De meeste schermen maken gebruik van het sRGB-kleurprofiel (standaard Rood Groen Blauw), maar hoogwaardige beeldschermen kunnen het Adobe RGB-profiel tonen.
Omdat de kleuren bij Adobe RGB verder uit elkaar liggen, heeft dit profiel een groter kleurbereik dan sRGB.
Er zijn merken beeldschermen die het Adobe RGB-kleurbereik kunnen weergeven, zoals AOC, BenQ en Eizo.
Voor informatie over AOC-beeldschermen, ga naar coolblue.nl
Voor informatie over BenQ-beeldschermen, ga naar kamera-express.nl
Voor informatie over Eizo-beeldschermen, ga naar eizo.nl
Wanneer de kleuren en/of helderheid en/of contrast op het beeldscherm afwijken van een print, is de kans groot dat je beeldscherm niet goed is ingesteld.
Om een beeldscherm goed in te kunnen stellen, moet je het kalibreren. Dit gaat met een sensor die je tegen het beeldscherm zet en de kleuren meet.
De software van de sensor zorgt ervoor dat er een goed kleurprofiel voor je beeldscherm wordt ingesteld.
Voor meer informatie over dit onderwerp, ga naar cameranu.nl
Voor meer informatie over kalibratie, ga naar focusmagazine.nl
Kleurruimte
Een kleurruimte is het bereik van beschikbare kleuren (zoals sRGB, Adobe RGB en ProPhoto RGB),
terwijl een kleurprofiel (ICC-profiel) een bestand is dat beschrijft hoe een specifiek apparaat (zoals een beeldscherm of printer) die kleuren vertaalt en weergeeft.
sRGB
Meest gebruikt voor internet, webbrowsers en standaard fotoprints (kleine kleurruimte).
Fotograferen doe je bij voorkeur in de Adobe RGB-kleurruimte.
Ga je de foto gebruiken voor het internet of laat je een foto printen? Zet de kleurruimte om naar sRGB.
Het omzetten (converteren) van de kleurruimte doe je met behulp van een fotobewerkingsprogramma.
Adobe RGB
Geschikt voor fotografie die professioneel gedrukt (boeken en tijdschriften) gaat worden (grote kleurruimte). Fotograferen doe je in deze kleurruimte.
Dit geeft meer ruimte voor een nabewerking waardoor de eindkwaliteit van de foto beter zal zijn dan bij sRGB.
ProPhoto RGB
De grootste kleurruimte, maar niet werkbaar. Er zijn geen beeldschermen die deze kleurruimte kunnen weergeven.
Lastig als je een foto gaat bewerken. Er zijn geen printcentrales of fotovaklab’s die in deze kleurruimte kunnen printen.
Een kleurruimte kan worden ingesteld via het menu van je camera. Een kleurruimte bepaalt op welke manier de kleurenpixels in de camera worden uitgelezen.
Als je in RAW fotografeert, kun je de kleurruimte achteraf wijzigen met een fotobewerkingsprogramma zoals Adobe Photoshop.
Voor meer informatie over kleurruimte, ga naar wikipedia.org
Chromaticiteitsdiagram
X-as chromaticiteit in de richting rood ↔ groen.
Y-as chromaticiteit in de richting blauw ↔ geel.
Ze geven alle waarneembare kleuren weer die het menselijk oog kan zien.
De getallen op de assen geven de chromaticiteitscoördinaten van een keur aan. Hoe dichter bij de rand hoe meer verzadigd de kleur is.
De witte driehoek toont het bereik (gamut) van de desbetreffende kleurruimte.

Photo stitching
Photo stitching is een techniek waarbij je met meerdere overlappende foto’s één panoramafoto maakt.
Door je camera recht te houden, maak je van links naar rechts (of andersom) meerdere foto’s met overlap.
Een overlap van ongeveer 30% per foto is voldoende. Gebruik voor elke foto hetzelfde diafragma, belichting en witbalans.
De software herkent overeenkomsten tussen de foto’s, corrigeert het perspectief en voegt de beelden samen tot één panoramafoto.
Stitching in staand formaat
Door de camera in staand formaat te draaien, leg je per opname meer verticale informatie vast. Je bouwt je foto vervolgens op uit meerdere smalle foto’s.
Dat levert niet alleen meer resolutie op, maar vaak ook een natuurlijker perspectief en minder vervorming.
In de praktijk betekent dit dat je meer foto’s maakt om hetzelfde beeld te vullen, maar die extra moeite vertaalt zich in detail.
Zeker bij landschappen zie je dat verschil terug. Met een betrekkelijk eenvoudige camera haal je op deze manier een zeer hoge resolutie.
Je fotografeert een reeks overlappende foto’s en voegt die later samen in software.
Je beweegt de camera in kleinere stappen van links naar rechts (of andersom).
Consistent werken is belangrijk. Zodra je begint, wil je dat elke foto identiek is qua instellingen.
Handmatige belichting voorkomt zichtbare overgangen tussen de foto’s. Een vaste witbalans zorgt dat kleuren niet verspringen.
Hetzelfde geldt voor focus. Één keer scherpstellen en daarna niet meer aanpassen.
Kleine variaties lijken onschuldig, maar worden zichtbaar zodra alles samengevoegd wordt.
Maak gebruik van een statief. Zet de kop van het statief waterpas.
Als je het goed wil doen draai je de camera rond het nodal point (zie uitleg hieronder) van de lens om parallaxfouten te verminderen.
Omdat je meer opnames maakt, duurt het proces langer. Alles wat in die tijd verandert, kan problemen geven.
Bewegende mensen, auto’s of zelfs bladeren in de wind kunnen leiden tot ghosting (dubbele of half transparante elementen in je eindbeeld).
Parallax blijft een andere bekende valkuil, vooral als er objecten dicht bij de camera staan.
In staand formaat werk je vaak met meerdere rijen, en kleine afwijkingen stapelen zich dan sneller op tot zichtbare fouten in de samenvoeging.
Een wolk die voor de zon schuift halverwege je reeks kan al genoeg zijn om subtiele, maar storende verschillen in helderheid te veroorzaken.
Omdat je eindbeeld zo groot is, vallen die verschillen extra op.
Het nadeel is dat je bestanden snel groot worden. Meer foto’s betekent meer data, langere laadtijden en zwaardere bewerkingen.
Je computer moet het wel aankunnen, zeker als je richting zeer hoge resoluties (meerdere foto’s) gaat.
Het vraagt allemaal wat meer voorbereiding en precisie, maar als je het goed uitvoert, levert het resultaten op die met één enkele foto niet haalbaar zijn.
Nodal Point
Wanneer je een reeks foto’s maakt door je camera te draaien, verandert de positie van voorgrond en achtergrond ten opzichte van elkaar.
Software kan dit soms corrigeren, maar bij duidelijke verschillen lukt dat vaak niet goed.
Het resultaat is dat beelden niet op elkaar aansluiten. Dat zijn parallaxfouten.
Als alles in je scène ver genoeg weg staat, speelt dit probleem nauwelijks.
Je kunt dan met ongeveer dertig procent overlap eenvoudig een reeks foto’s maken en deze stitchen.
Maar zodra er elementen dichtbij zijn, wordt het belangrijk hoe je de camera roteert.
De oplossing is dat je de camera om een specifiek punt in je objectief draait, het nodal point.
Alleen wanneer de camera rond dit punt roteert, blijven voorgrond en achtergrond ten opzichte van elkaar uitgelijnd.
Om dat mogelijk te maken gebruik je een nodal slide.
Dit is een verstelbare rail waarmee je de camera naar voren of achteren kunt verschuiven totdat het juiste rotatiepunt is gevonden.
De meeste nodal slides hebben een schaalverdeling, waardoor je deze positie eenvoudig kunt terugvinden.
Zo kun je op locatie snel en nauwkeurig werken en voorkom je problemen bij het samenvoegen van je foto’s.
Om het nodal point van een objectief te vinden plaats je twee voorwerpen achter elkaar voor de camera.
Maak een foto recht naar voren van de twee objecten.
Draai de camera naar links en maak een foto van de twee objecten.
Draai de camera naar rechts en maak een foto van de twee objecten.
Bekijk de gemaakte foto’s. Staan de voorwerpen bij de linkerfoto en rechterfoto niet achter elkaar,
dan is er een parallax en je hebt niet het nodal point gebruikt.
Zo kun je bepalen of je de camera op de nodal slide verder naar voren of naar achteren moet verplaatsen.
Doe dit net zo lang totdat de voorwerpen op de linkerfoto en rechterfoto achter elkaar blijven staan. Is dat het geval, dan draai je over het nodal point.
Wat je op je nodal slide meet, is de afstand van de statiefschroef (onder je camera) naar voren over de rail.
Als je panorama’s maakt zonder sterke voorgrond (alles verder dan 10–15 meter), dan maakt 5–10mm afwijking bijna niets uit.
Je hoeft daar eigenlijk niets speciaals voor in te stellen. Wanneer er dichtbij ook elementen zijn, zoals hekjes, muren en planten, wordt nauwkeurigheid cruciaal.
Een 24mm objectief zit rond de 85 tot 105mm naar voren. Dit is het uiterste punt bij groothoek.
Een 35mm objectief zit meestal rond de 70 tot 85mm. Je schuift je camera een stukje terug.
Een 50mm objectief zit rond de 60 tot 75mm. Je camera gaat nog iets verder naar achteren.
Dat verschil lijkt klein, maar is in de praktijk precies het verschil tussen nette stitching en frustratie.
Welk diafragma je gebruikt verandert niets aan je nodal point. Kalibreer goed op 24, 35 en 50mm en zet kleine markeringen op je rail.
Voorbeelden van photo stitching kun je bekijken via google.com
Voorbeelden van het nodal point kun je bekijken via google.com
Voorbeelden van een nodal slide kun je bekijken via google.com
Hugin helpt je beelden automatisch samen te voegen tot een panoramafoto.
Je kan daarnaast handmatig controlepunten toevoegen voor een nauwkeuriger resultaat.
Voor informatie over Hugin, ga naar hugin.sourgefourge.io
Adobe Photoshop en Adobe Lightroom zijn ideaal voor het bewerken en samenvoegen van foto’s.
Voor informatie over Adobe Photoshop, ga naar adobe.com
Voor informatie over Adobe Lightroom, ga naar adobe.com
PTGui werkt snel en precies bij het samenstellen van grote panorama’s.
Voor informatie over PTGui, ga naar ptgui.com
Focus stacking
Focus stacking is een techniek waarmee je een foto volledig scherp kunt maken. Normaal gesproken heeft een objectief een beperkte scherptediepte.
Bij focus stacking los je dit op door meerdere foto’s te maken van hetzelfde onderwerp, waarbij je telkens op een ander punt scherpstelt.
Deze foto’s worden daarna met software, zoals Adobe Photoshop, samengevoegd tot één beeld waarin alle scherpe delen gecombineerd zijn.
De camera blijft tijdens het fotograferen op dezelfde plek staan, meestal op een statief, zodat de beelden goed op elkaar aansluiten.
Alleen het scherpstelpunt verandert per foto. Je begint met scherpstellen op het dichtstbijzijnde deel van je onderwerp en werkt vervolgens stap voor stap naar achteren.
Scherpstellen doe je handmatig of met focus bracketing, mits je camera over deze functie beschikt.
De software herkent vervolgens de scherpste gebieden in elke foto en voegt die samen tot één foto.
Deze techniek wordt vooral gebruikt in situaties waarin de scherptediepte van nature erg klein is.
Bij macrofotografie, zoals het fotograferen van insecten, is het lastig om met één foto alles scherp te krijgen.
In landschapsfotografie speelt het tegenovergestelde.
De afstand tussen voorgrond en achtergrond kan zo groot zijn dat je niet alles tegelijk scherp krijgt.
Door meerdere scherpstelpunten te combineren, kun je een foto maken waarin zowel dichtbij als ver weg scherp is.
Een statief zorgt ervoor dat de compositie gelijk blijft en voorkomt bewegingsonscherpte.
Vaak wordt ook een afstandsbediening of de zelfontspanner van de camera gebruikt om trillingen bij het maken van een foto te vermijden.
Te grote stappen tussen de scherpstelpunten vergroten de kans op gaten in de scherptediepte.
Te kleine stappen zorgen juist voor onnodig veel foto’s en een langere verwerkingstijd.
Het aantal foto’s dat je maakt, is afhankelijk van het onderwerp, maar ligt meestal tussen de 5 en 10. Het diafragma houd je rond f/5.6–f/8.
De software analyseert elke foto en selecteert alleen de scherpe pixels uit elke gemaakte foto.
In Adobe Photoshop kun je hiervoor de functie Lagen automatisch overvloeien gebruiken, of software zoals Helicon Focus.
Voor informatie over Adobe Photoshop, ga naar helpx.adobe.com
Voor informatie over Helicon Focus, ga naar heliconsoft.com
Meervoudige belichting
Een meervoudige belichting, ook wel dubbele belichting genoemd, is een fotografische techniek waarbij meerdere opnames worden samengevoegd tot één foto.
Dit resulteert vaak in een artistiek en gelaagd effect. De techniek wordt veel toegepast in portretfotografie, abstracte composities en landschapsfotografie.
Door verschillende beelden te combineren, ontstaan unieke en soms surrealistische resultaten.
De meeste camera’s hebben een optie voor een meervoudige belichting.
Zet de camera via – Menu – Meervoudige belichting of meerdere opnames.
Kies het aantal opnames dat je wilt combineren.
Bekijk het eindresultaat en pas, indien nodig, de instellingen aan.
Voorbeelden van meervoudige belichtingen kun je bekijken via google.com
Tethering
Tethering in de fotografie is het direct verbinden van een camera met een ander apparaat, meestal een laptop, zodat foto’s meteen worden doorgestuurd
terwijl je fotografeert. In plaats van achteraf je geheugenkaart uit te lezen, verschijnen de beelden vrijwel direct op een beeldscherm.
Dat verandert niet alleen hoe je foto’s bekijkt, maar ook hoe je werkt tijdens het fotograferen.
In de praktijk werkt tethering via een kabel of draadloos. Bij een bekabelde verbinding gebruik je meestal een USB-kabel die je camera met je computer verbindt.
Zodra de verbinding actief is en je software draait, wordt elke foto die je maakt automatisch doorgestuurd en zichtbaar op het beeldscherm.
Draadloze tethering kan via wifi of bluetooth, afhankelijk van wat je camera ondersteunt, maar dat is vaak iets trager en minder stabiel dan een kabel.
Tethering wordt vooral gebruikt in situaties waar controle en samenwerking belangrijk zijn.
In studiofotografie is het bijna standaard, bijvoorbeeld bij mode-, product- of portretshoots.
De fotograaf, stylist en opdrachtgever kunnen allemaal meekijken op een groot scherm en direct feedback geven.
Je kan bijvoorbeeld ook de scherpte checken, belichting beoordelen en instellingen van je camera op afstand aanpassen.
Dat voorkomt verrassingen achteraf en bespaart tijd.
Er zijn verschillende programma’s die met tethering werken, zoals Capture One en Adobe Lightroom.
Met Capture One heb je controle over onder andere camera-instellingen, zoals scherpstelling, diafragma, sluitertijd en ISO.
Dit programma ondersteunt live-view, waarmee je het beeld van de camera in real-time kunt zien op het beeldscherm van je computer.
Voor informatie over Lightroom en tethering, ga naar Adobe Lightroom
Voor informatie over Canon en tethering, ga naar EOS Utility-software
Voor informatie over Nikon en tethering, ga naar NX Tether
Voor informatie over Capture One, ga naar Capture One
Flitsen
De meeste APS-C camera’s hebben een ingebouwde flitser, maar professionele camera’s niet.
Wanneer het te donker is om te fotograferen, kan de camera in de automatische stand de flitser activeren.
Op zich is dat geen probleem, maar een ingebouwde flitser heeft zijn beperkingen.
Je kunt er alleen direct (recht naar voren) mee flitsen en het bereik van het flitslicht ligt meestal tussen de 2 en 6 meter.
Een beter resultaat bereik je met een externe flitser, ook wel een reportageflitser genoemd.
Een externe flitser heeft vaak een draaibare kop, waardoor je niet beperkt bent tot rechtuit flitsen.
Dit geeft je de mogelijkheid om het licht een andere kant op te sturen, wat we indirect flitsen noemen.
In de praktijk richt je de flitser bij binnenopnames vaak op het plafond voor zacht en gespreid licht.
Wil je toch wat meer licht naar voren halen? Gebruik dan een bounce card.
Hiermee wordt het flitslicht tegelijkertijd naar het plafond en richting je onderwerp gestuurd.
Handiger in de praktijk is het gebruik van een Omnibounce. Dit zijn speciale kapjes die je op de kop van een flitser drukt.
Het maakt het flitslicht diffuus, waardoor de schaduwen zachter worden.
Voor informatie over externe flitsers, ga naar google.com
Voor informatie over een bounce card, ga naar google.com
Voor informatie over Omnibounce, ga naar google.com
TTL
Through The Lens (door de lens) betekent dat de camera de lichtmeting regelt.
Het voordeel om te flitsen in deze stand is het gemak waarmee je bij veranderende lichtomstandigheden snel kan
fotograferen zonder aanpassingen te maken op de flitser en/of camera.
M
Wil je de volledige controle over de instellingen van de camera en flitser, zet dan de camera en flitser in de M-stand.
Wanneer je wilt beschikken over het volle vermogen van je flitser, zal ook de M-stand de beste instelling zijn.
Je kan met het aanpassen van het diafragma kleine veranderingen in de belichting maken.
Door de instelling op de flitser aan te passen, krijg je ook een verandering in de belichting.
Bijvoorbeeld bij vol vermogen (1/1) het vermogen van de flitser te halveren (1/2).
Richtgetal
Het richtgetal geeft de maximale kracht van een flitser aan.
Flitssynchronisatietijd
De maximale sluitertijd waarmee je kan flitsen is meestal 1/125s of 1/250s, afhankelijk van de camera.
Flitsen met een snellere sluitertijd kan betekenen dat een gedeelte van de foto niet belicht wordt met flitslicht.
Flits op het 1ste gordijn
De normale stand van fotograferen met de flitser.
Flits op het 2de gordijn
Flitssynchronisatie op het tweede gordijn wil zeggen dat de flitser licht geeft net voordat het sluitergordijn dichtgaat.
Hiermee krijg je lichtstrepen achter een bewegende lichtbron, bijvoorbeeld van een auto met de lichten aan.
Voor meer informatie over flitsen op het 2de gordijn, ga naar google.com
Portret
Je doel is om de fysieke gelijkenis van een persoon vast te leggen. Over het algemeen ligt de focus van een portretfoto op het gezicht.
Doorgaans hebben portretten de neiging om een uitdrukking, de persoonlijkheid en sfeer in een foto te laten zien.
Daarbij zijn de compositie, techniek, locatie, licht, eventueel het verhaal en het moment belangrijke elementen voor het maken van een portret.
objectief
Een prima objectief om mee te fotograferen met een APS-C camera is de 35mm of 50mm objectief. Bij een full-frame camera is dit de 50mm of 85mm objectief.
Controleer of er genoeg scherpte op de ogen zit wanneer je een diafragma gebruikt van f/2.8 of lager.
Licht
Wanneer je buiten gaat fotograferen, kies dan een goed tijdstip. Bijvoorbeeld vroeg in de ochtend, laat in de middag of vlak voor zonsondergang.
Het licht is dan zachter. Midden op de dag, wanneer de zon schijnt, krijg je betere resultaten wanneer de persoon in de schaduw staat.
Positie
Controleer of het licht, de achtergrond, kleding en de houding/pose goed zijn voordat je begint met fotograferen.
Meestal komt er tijdens het fotograferen vanzelf een verandering in iemands lichaamshouding en gezichtsuitdrukking.
Een beetje sturen door aanwijzingen te geven, kan geen kwaad. De persoon hoeft niet te glimlachen om een portret succesvol te laten zijn.
Locatie
Bij portretfotografie moet je niet alleen de persoon in de gaten houden, maar ook de voor- en achtergrond.
Storende objecten in de achtergrond kunnen ongewenst te veel aandacht vragen.
Door met een diafragma te fotograferen zoals f/2.8 of f/4 maak je de achtergrond minder belangrijk en gaat de meeste aandacht naar de persoon.
Het kan zijn dat de achtergrond of omgeving van wezenlijk belang is om te laten zien, omdat dit meer inhoud geeft aan het verhaal dat je wilt vertellen.
In dat geval gebruik je een diafragma f/8 of f/11 of hoger en/of een groothoekobjectief.
Straatfotografie
Straatfotografie begint eigenlijk niet met een camera, maar met kijken. Niet vluchtig, zoals je normaal door een stad loopt, maar aandachtig.
De man die haastig een haring eet op de markt terwijl zijn jas half openwaait. Reflecties in ramen.
Reclame-uitingen als achtergrond of onderdeel van je foto doen het meestal erg goed als contrast met de persoon die je fotografeert.
Straatfotografie begint eigenlijk niet met een camera, maar met kijken.
Niet vluchtig zoals je normaal door een stad loopt, maar aandachtig. De man die haastig een haring eet op de markt terwijl zijn jas half openwaait.
Twee mensen die elkaar passeren in een smal steegje zonder elkaar aan te kijken. Reflecties in ramen.
Reclame uitingen als achtergrond of onderdeel van je foto doen het meestal erg goed in contrast met de persoon die je fotografeert.
Veel beginnende cursisten denken dat ze eerst spectaculaire locaties nodig hebben.
Natuurlijk helpt een mooie plek, maar een goede straatfoto ontstaat meestal door licht, timing en geduld.
Een markt is geweldig omdat daar voortdurend beweging is. Mensen onderhandelen, lachen, sjouwen, eten, kijken.
Alles gebeurt tegelijk. Je hoeft daar bijna alleen nog maar alert te zijn. In steegjes werkt het juist anders.
Daar zoek je eerder naar rust, schaduwen, lijnen en onverwachte ontmoetingen.
Een steegje met mooi invallend licht kan soms interessanter zijn dan een druk plein vol actie.
Waar je staat, maakt vaak het verschil tussen een gewone foto en een beeld dat blijft hangen.
Veel cursisten blijven rondlopen terwijl ze fotograferen, maar soms werkt het beter om stil te staan.
Kies een plek waar het licht mooi valt en wacht. Mensen lopen vanzelf je compositie binnen. Dat vraagt geduld, maar het geeft rust in je fotografie.
Je gaat dan minder jagen op beelden en meer observeren.
Qua apparatuur hoeft straatfotografie helemaal niet ingewikkeld te zijn. Een lichte camera werkt vaak beter dan een grote professionele uitrusting.
Hoe minder opvallend je bent, hoe natuurlijker mensen zich gedragen. Een kleine camera met een vaste lens van bijvoorbeeld 35mm of 50mm is ideaal.
Niet omdat het technisch moet, maar omdat je dichter bij de situatie komt. Je wordt onderdeel van de straat in plaats van iemand die van een afstandje observeert.
Bijna iedereen voelt in het begin een beetje schaamte of spanning. Dat is normaal.
Je denkt dat iedereen naar je kijkt, terwijl de meeste mensen vooral bezig zijn met zichzelf.
De eerste keren voelt het ongemakkelijk om je camera op iemand te richten. Je hartslag gaat omhoog en je twijfelt. Maar daar groei je doorheen.
Lef hoort bij straatfotografie. Niet brutaal zijn, maar durven aanwezig te zijn.
Foto’s van Bruce Gilden kun je bekijken via brucegilden.com
Foto’s van Cor Jaring kun je bekijken via corjaring.nl
Foto’s van Cyril Wermers kun je bekijken via cyrilwermers.nl
Foto’s van Ed van der Elsken kun je bekijken via edvanderelsken.nl
Foto’s van Garry Winogrand kun je bekijken via fraenkelgallery.com
Foto’s van Henri Cartier-Bresson kun je bekijken via magnumphotos.com
Foto’s van Martin Parr kun je bekijken via martinparr.com
Foto’s van Robert Frank kun je bekijken via google.com
Foto’s van Trent Parke kun je bekijken via magnumphotos.com
Foto’s van Vivian Maier kun je bekijken via vivianmaier.com
Foto’s van Willem Wernsen kun je bekijken via willemwernsen.com
Foto’s van William Klein kun je bekijken via google.com
Download en lees het interview van www.shoot.be met Willem Wernsen over straatfotografie ww-shoot2018.pdf
Voor informatie over portretrecht, ga naar dupho.nl
Website en werk
Je website is een belangrijk visitekaartje. Het laat zien wat je kan en wat je graag wil fotograferen.
Daarmee is nog niet gezegd dat je er ook geld mee kan verdienen.
In de praktijk zoeken de meeste opdrachtgevers een fotograaf die het beste past bij één bepaalde foto-opdracht.
Het is aan jou om uit te zoeken welke opdrachtgevers geïnteresseerd kunnen zijn om je in te zetten voor een fotoklus.
Wanneer je wordt uitgenodigd, vergeet dan niet je laptop mee te nemen om je website te laten zien. Dat praat makkelijker.
Bij fotografie in opdracht ontvang je vooraf informatie van de redactie van een tijdschrift, krant of ander medium.
Je krijgt onder andere contactgegevens en informatie om een afspraak te maken met de persoon die gefotografeerd wordt.
Daarnaast ontvang je instructies over de deadline en de manier waarop de foto’s moeten worden aangeleverd.
De locatie van fotograferen wordt meestal in overleg bepaald tussen de redactie, de fotograaf en de geportretteerde.
Daarbij wordt gekeken naar een plek die goed aansluit bij het onderwerp en de sfeer van het artikel.
Het is belangrijk om tijdens het fotograferen veel variatie te maken.
Maak daarom altijd meerdere foto’s vanuit verschillende standpunten en composities.
Bij redactionele fotografie vraagt een redactie vaak om een zogenoemd inzetje. Dat is een kleine extra foto, meestal een close-up portret,
die naast de hoofdfoto wordt geplaatst. De hoofdfoto is meestal creatiever van opzet en wordt groter afgedrukt in het tijdschrift of de publicatie.
Door meerdere detail- en portretfoto’s te maken, geef je de redactie meer keuzevrijheid bij de vormgeving van de pagina.
Na afloop selecteer en bewerk je de beste beelden. Vervolgens lever je de foto’s digitaal aan, bijvoorbeeld via WeTransfer of Dropbox.
Wanneer de bestanden succesvol zijn verstuurd, stuur je de redactie ook een factuur voor de opdracht.
Het is belangrijk dat je contact onderhoudt met bevriende zzp’ers zoals fotografen, ontwerpers, enzovoort.
Reacties op je fotografie, antwoorden krijgen op technische vragen of zakelijke onzekerheden bespreken is belangrijk voor je ontwikkeling.
Bevriende zzp’ers kunnen je vaak ook verder helpen bij het vinden van een betaalde foto-opdracht.
Je kan ook
overwegen om je aan te sluiten bij een businessclub. Een businessclub kan je ondersteunen bij het ontwikkelen van zakelijke activiteiten.
Voor informatie over WeTransfer, ga naar wetransfer.com
Voor informatie over Dropbox, ga naar dropbox.com
Voor informatie over businessclubs in Enschede, ga naar enschede.nl
Handleidingen
In grote lijnen geeft elk display hetzelfde weer. Indeling, symbolen en benamingen verschillen per merk en type camera.
Begrijp je de symbolen en benamingen van je eigen camera niet, raadpleeg dan je camera-handleiding.
Als je handleiding zoek is, kun je die downloaden via handleidingkwijt.com
Foto laten printen
Duurdere fotovaklabs leveren meestal mooiere prints met betere kleuren met meer detail.
Deze fotovaklabs zijn interessant als je foto’s belangrijk zijn om op te hangen, bijvoorbeeld thuis of voor een expositie.
Goedkopere opties zijn prima voor normale foto’s, zoals vakanties, maar de kwaliteit kan iets minder zijn.
Ook kleurprofielen spelen een rol. Veel diensten bewerken je foto automatisch nog een beetje, maar dat wil je niet als je de foto zelf al hebt bewerkt.
Het resultaat kan daardoor een beetje afwijken.
Als je echt precies wilt dat de kleuren kloppen, kun je met het kleurprofiel werken waarmee er wordt geprint.
Vraag bij het fotovaklab met welk kleurprofiel ze printen, zodat je de foto kunt finetunen.
Wil je de mooiste kwaliteit, ga je voor een professioneel fotovaklab. Wil je prima foto’s voor een lage prijs of snel resultaat, dan zijn er goedkopere opties.
Voor informatie over Albelli, ga naar albelli.nl – Prima kwaliteit uit Den Haag.
Voor informatie over CEWE, ga naar cewe.nl – Prima kwaliteit uit Nunspeet.
Voor informatie over Foto Bertelink, ga naar fotobertelink.nl – Prima kwaliteit uit Hengelo.
Voor informatie over HEMA, ga naar hema.nl – Prima kwaliteit uit Nederland.
Voor informatie over Pixum, ga naar pixum.nl – Prima kwaliteit uit Keulen, Duitsland.
Voor informatie over ProFotonet, ga naar profotonet.com – Topkwaliteit uit Cappele aan den IJssel.
Voor informatie over Saal-digital, ga naar saal-digital.nl – Topkwaliteit uit Röttenbach, Duitsland.
Voor informatie over WhiteWall, ga naar whitewall.com – Topkwaliteit uit Berlijn, Duitsland.
Voor informatie over Wilcovak, ga naar wilcovak.nl – Topkwaliteit uit Hoogeveen.
Camera kopen
Een dure camera kan technisch beter zijn, maar dat betekent niet automatisch dat de foto ook mooier wordt.
Veel cursisten denken dat goede foto’s vooral ontstaan door dure apparatuur, terwijl in werkelijkheid de persoon achter de camera veel belangrijker is.
Niet de camera maakt de foto, maar jij. De camera is alleen een hulpmiddel.
Dat zie je aan ervaren fotografen die met eenvoudige of goedkope camera’s nog steeds indrukwekkende beelden maken.
Zij begrijpen hoe licht werkt, weten precies wanneer ze moeten afdrukken en kunnen goed kijken naar compositie, sfeer en emotie.
Daardoor kunnen ze met simpele apparatuur foto’s maken die veel sterker zijn dan foto’s van iemand met een hele dure camera maar zonder gevoel voor fotografie.
Een goedkope digitale camera kan daarom in veel situaties bijna net zo goed zijn als een dure camera.
Zeker bij goed licht zijn de verschillen vaak veel kleiner dan mensen denken.
Moderne goedkope camera’s kunnen scherpe beelden maken, mooie kleuren tonen en voldoende kwaliteit leveren voor portretten,
natuurfoto’s of creatieve fotografie.
Veel mensen zouden het verschil tussen een foto van een goedkope camera en een dure camera niet eens direct herkennen als ze de beelden naast elkaar zien.
Wat een foto echt bijzonder maakt, zit meestal niet in technische perfectie.
Een foto wordt sterk door het moment, de sfeer, de blik van een persoon, het gebruik van licht of de manier waarop iets in beeld is gebracht.
Dat zijn keuzes van de fotograaf, niet van de camera.
Een dure camera kan sommige dingen makkelijker maken, zoals fotograferen in het donker of snelle autofocus,
maar hij kan niet bepalen wat interessant, emotioneel of creatief is.
Zodra je leert omgaan met licht, compositie en timing, kan je met elke camera mooie foto’s maken.
Dat bewijst juist dat de kwaliteit van een foto veel meer afhangt van de fotograaf dan van de prijs van de camera.
DPReview
Keuzehulp bij het kopen van een camera.
Voor meer informatie, ga naar dpreview.com
DXOMARK
Lijst met de beste beeldsensoren volgens DXOMARK.
Voor meer informatie, ga naar dxomark.com
Downloads
Tarievenlijst
De hierin genoemde tarieven kunnen dienen als uitgangspunt voor fotografen op zoek naar een reële prijs per foto.
Voor informatie over de tarievenlijst, ga naar dupho.nl
Portretrecht
De Auteurswet beschermt de privacy van geportretteerde personen.
Voor publicatie van een in opdracht gemaakt portret is altijd toestemming nodig van de geportretteerde.
Voor informatie over portretrecht, ga naar dupho.nl
Verklaring portretrecht
Download verklaring portretrecht, portretrecht.docx
Tarieven
Tarieven volgens FotoAnoniem van 2015, tarievenFA2015.pdf
Tarieven
Tarieven volgens de Fotografen Federatie uit 2002, tarievenFF2002.pdf
Opleidingen
Opleiding fotografie volgen?
ArtEZ Academie voor Art & Design in Enschede.
De Nederlandse Fotovakschool in Amsterdam, Apeldoorn, Eindhoven en Rotterdam.
Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam.
HKU Hogeschool voor de Kunsten Utrecht in Utrecht.
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
ROC in 10 steden.
St. Joost School of Art & Design in Breda.
Onderwerp
Een goed gekozen onderwerp moet je uiteindelijk kunnen vertalen naar concrete foto’s.
Een onderwerp ontstaat vanuit nieuwsgierigheid, wat je goed, mooi en/of interessant vindt.
Wees realistisch in je keuze, want je moet het onderwerp ook daadwerkelijk kunnen fotograferen.
Onderwerpen in je directe omgeving lenen zich daar goed voor.
Plan van aanpak
Verdiep je in het onderwerp. Zoek informatie op het internet en bekijk foto’s die over hetzelfde onderwerp gaan. Maak aantekeningen.
Door het onderwerp en de motivatie onder woorden te brengen, krijg je meer inzicht en houvast bij het visualiseren en het uitvoeren.
Stijl
Stijl gaat over de techniek die je gebruikt tijdens het fotograferen en over de nabewerking van foto’s.
De instellingen van je camera, het licht dat je gebruikt, de keuze van je objectief en de bewerking in een fotobewerkingsprogramma bepalen samen je stijl.
Visie
Waar stijl gaat over hoe iets eruitziet, gaat visie over wat het betekent. In de fotografie is visie je persoonlijke kijk op een onderwerp of situatie.
Die manier van kijken komt voort uit persoonlijke ervaringen, opleiding, sociale achtergrond, interesses en ideeën.
Visie is hoe jij als fotograaf de wereld ziet, interpreteert en vertaalt naar je fotografie.
Seriematig werken
Seriematig werken in fotografie betekent dat je meerdere foto’s maakt die bij elkaar horen. Samen vertellen ze meer dan één losse foto.
Je kijkt niet alleen meer naar wat mooi is, maar ook naar wat past binnen een groter geheel.
Dat leer je vooral door langer met één onderwerp bezig te blijven. Niet vandaag een portret, morgen een gebouw en daarna weer iets totaal anders.
Kies juist één onderwerp en blijf daar een tijd aan werken.
Bijvoorbeeld mensen op straat, bomen in het bos, huishoudelijk afval naast vuilcontainers, honden in het park.
Door steeds terug te komen naar hetzelfde onderwerp ga je beter kijken en kleine verschillen ontdekken.
Veel cursisten stoppen te snel. Ze maken een paar goede foto’s en gaan alweer door naar iets nieuws. Maar een serie groeit meestal langzaam.
Pas na langere tijd ontstaat er samenhang. Dan begin je te merken welke beelden bij elkaar horen.
Daarom is kiezen ook een groot deel van het werk. Niet elke goede foto hoort automatisch in een serie.
Soms is een beeld mooi op zichzelf, maar past het niet bij de rest. Dan laat je het weg. Dat kan lastig zijn, maar daardoor wordt een serie sterker.
Een serie hoeft niet perfect gelijk te zijn. De foto’s hoeven niet allemaal hetzelfde eruit te zien. Toch moet er iets herkenbaars in zitten.
Bijvoorbeeld hetzelfde soort licht, dezelfde afstand, rustige kleuren of dezelfde sfeer.
Seriematig werken gaat in essentie over de relatie tussen foto’s.
De afzonderlijke foto is minder belangrijk dan het geheel. Je bouwt betekenis op door herhaling, ritme of variatie.
Een serie kan ook gaan om een onderzoek naar vorm, een onderwerp of een idee.
Denk aan iemand die jarenlang dezelfde soort gebouwen fotografeert. Dan ontstaat de kracht uit de vergelijking tussen de beelden en uit een serie.
Storytelling
Storytelling fotografie draait meer om beleving en het verhaal. De kijker moet het gevoel krijgen dat er iets gebeurt of gebeurd is.
Dat kan heel direct zijn, maar ook subtiel en suggestief. Het gaat meer om emotie en sfeer.
Een storytelling-serie heeft vaak een spanningslijn, alsof je naar scènes uit een film kijkt.
Zelfs één enkele foto kan storytelling bevatten wanneer je als kijker onmiddellijk vragen krijgt over wat eraan voorafging of wat hierna gebeurt.
Documentaire
Documentaire fotografie heeft weer een andere bedoeling. Daar ligt de nadruk op het tonen van een werkelijkheid.
De fotograaf observeert en registreert echte situaties, mensen of maatschappelijke omstandigheden.
Natuurlijk gebruikt documentaire fotografie vaak ook storytelling en series, maar het doel is meestal om inzicht te geven in een onderwerp of tijdsbeeld.
De foto’s functioneren dan niet alleen artistiek, maar ook als document of getuigenis.
De begrippen lopen in de praktijk voortdurend door elkaar heen.
Een documentaire project wordt bijna altijd seriematig opgebouwd, en een goede documentairemaker gebruikt vaak storytelling om de kijker mee te nemen.
Er zijn verschillen. Bij seriematig werken gaat het over hoe de beelden zich tot elkaar verhouden.
Bij storytelling gaat het het meer over welk verhaal of gevoel het oproept. Documentaire fotografie gaat over het zichtbaar maken van de werkelijkheid.
Eén onderwerp
Een sterke foto begint met goed kijken. Naar mensen, licht, vormen, natuur en momenten. De betere foto’s laten iets voelen, zoals rust of warmte.
Een foto wordt sterker wanneer er meer te zien is dan alleen wat er gebeurde.
Kies altijd één duidelijk onderwerp. Bij landschapsfotografie kan dat een boom, zandpad of rivier zijn.
Staat er te veel in beeld, dan wordt een foto snel druk. Door bewust te kiezen wat je laat zien, krijgt een foto meer kracht.
Licht is erg belangrijk in fotografie. Zacht licht in de ochtend of avond geeft vaak warme kleuren en meer sfeer.
Dat werkt mooi bij portretten en landschappen. Fel licht midden op de dag zorgt vaak voor harde schaduwen en minder rustige beelden.
Kijk daarom goed waar het licht vandaan komt en hoe het op je onderwerp valt. Fotograferen bij mist of zware bewolking werkt overigens ook goed.
De zon hoeft niet altijd te schijnen voor mooie fotografie.
Bij landschapsfotografie is compositie erg belangrijk. Denk goed na over wat je op de voorgrond, in het midden en op de achtergrond laat zien.
Lijnen zoals een pad, rivier of hek kunnen de ogen van de kijker door de foto leiden.
Probeer verschillende standpunten uit, want een paar stappen naar links of rechts kan al een groot verschil maken.
Een landschap hoeft niet altijd veel kleur te hebben. Zwart-witfotografie kan juist sterk werken.
Zonder kleur gaat de aandacht meer naar vormen, contrasten, patronen en licht. Vooral wolken, mist of sterke schaduwen kunnen in zwart-wit extra krachtig overkomen.
Ook de achtergrond speelt een grote rol. Een rustige achtergrond zorgt ervoor dat alle aandacht naar het onderwerp gaat.
Let daarom goed op storende dingen of drukke elementen in beeld. Soms kunnen zulke elementen juist bijdragen aan het verhaal van de foto.
Voorbeelden van Nederlandse landschapsfotografie kun je bekijken via google.com
Websites die je helpen bij het plannen van je fotografie door precies te laten zien waar de zon staat.
Voor informatie over Suncalc, ga naar suncalc.org
Voor informatie over SunEarthTools, ga naar sunearthtools.com
Voor informatie over Photo Ephemeris, ga naar photoephemeris.com
Auto ISO
Auto ISO kan heel handig zijn omdat je camera dan automatisch de ISO-waarde verhoogt of verlaagt zodra het licht verandert.
Daardoor hoef je minder snel instellingen aan te passen en kun je sneller fotograferen.
Vooral bij straatfotografie of reportages werkt dat prettig.
Je kiest bijvoorbeeld zelf het diafragma en de sluitertijd, terwijl de camera de ISO regelt zodat de belichting klopt. Dat scheelt tijd en je mist minder momenten.
Het grootste voordeel is dus flexibiliteit. Als je van een zonnige straat een donkere ruimte binnenloopt, past de camera zich direct aan.
Ook bij fotograferen met telelenzen of bewegende onderwerpen helpt Auto ISO, omdat je een minimale sluitertijd kunt instellen zodat beelden minder snel bewogen raken.
Veel fotografen gebruiken Auto ISO zelfs in de M-stand. Zij bepalen bewust sluitertijd en diafragma, en laten alleen de ISO automatisch variëren.
Er zitten wel nadelen aan. Hoe hoger de ISO, hoe meer ruis zichtbaar wordt in een foto. Details worden zachter en donkere delen kunnen korrelig ogen.
Moderne camera’s zijn daar veel beter in geworden, maar bij hoge ISO-waarden zie je nog steeds kwaliteitsverlies.
Een ander nadeel is dat de camera soms keuzes maakt die jij niet zou maken.
In een donkere situatie kan hij bijvoorbeeld de ISO flink verhogen terwijl jij misschien liever een iets langere sluitertijd had gebruikt.
Daardoor krijg je technisch wel een heldere foto, maar niet altijd de mooiste beeldkwaliteit.
Waar je vooral op moet letten is de minimale sluitertijd die gekoppeld is aan Auto ISO. Als die te langzaam staat, krijg je bewegingsonscherpte.
Staat hij juist te snel, dan zal de camera sneller hoge ISO-waarden gebruiken. Ook is het slim om te weten hoe ver jouw camera bruikbaar blijft qua ISO.
Sommige camera’s leveren nog nette bestanden op ISO 3200 of 6400, terwijl andere al eerder zichtbaar ruis geven.
Vrijwel alle moderne camera’s kun je een maximale Auto ISO instellen. Dat is eigenlijk één van de belangrijkste instellingen.
Je geeft dan een bovengrens op, bijvoorbeeld ISO 1600 of ISO 3200. De camera mag automatisch variëren, maar nooit hoger gaan dan die limiet.
Zo houd je controle over de beeldkwaliteit.
Test dit thuis uit welke ISO-waarde nog acceptabel zijn. Gebruiken die vervolgens als maximum voor Auto ISO.
Auto ISO werkt dus het beste als hulpmiddel, niet als iets dat je blind laat beslissen.
Huiswerk
Opdracht 1
Maak een map aan op het bureaublad van je laptop. Kopieer foto’s van het internet die je interessant, goed en/of mooi vindt naar deze map.
Probeer vervolgens te verwoorden waarom je deze foto’s interessant, goed en/of mooi vindt.
Kijk daarbij naar verschillende aspecten van de foto. Hoe is de compositie opgebouwd?
Is er gefotografeerd met daglicht, kunstlicht of flitslicht, en welke sfeer geeft dat licht?
Hoe zit het met de scherptediepte: is die groot of juist klein? Ligt de scherpte op de juiste plek?
Probeer ook in te schatten welk objectief en welk diafragma zijn gebruikt.
Doe dit bij elke foto die je analyseert. In het begin kan dat lastig zijn, maar na verloop van tijd word je er handiger in.
Dit proces helpt je uiteindelijk om bewuster te kijken en betere foto’s te maken.
Opdracht 2
Werk een onderwerp uit dat je wil fotograferen en neem dit mee naar de workshop voor een bespreking.
Scannen
Korte handleiding (2002).
Flatbedscanner
Een flatbedscanner levert uitstekende resultaten voor websites en e-mail, maar is minder geschikt voor hoogwaardige prints of drukwerk.
Sommige flatbedscanners beschikken over een filmadapter.
Met een filmadapter kun je negatieven en dia’s scannen. De scankwaliteit is echter niet zo goed als die van een filmscanner.
Filmscanner
Met een filmscanner kunnen scans met een hogere resolutie worden gemaakt.
De meeste filmscanners scannen op 2.700 tot 8.000 dpi (dots per inch). De hogere resolutie van filmscanners zorgt voor meer detaillering,
waardoor grotere afdrukken van betere kwaliteit kunnen worden gemaakt.
Resolutie
Bij het vergelijken van scanners moet je letten op de optische resolutie. Deze resolutie bepaalt de uiteindelijke grootte van de scan (MB’s).
Hoe hoger de resolutie, hoe groter het bestand in MB’s.
Een scanner van 1200 dpi geeft de beste resultaten bij 1200, 600, 300 en 150 dpi.
Kies je 500 dpi, dan moet de scanner de positie van de scankop schatten.
Bitdiepte / kleurdiepte
De bitdiepte of kleurdiepte verwijst naar het aantal unieke kleuren dat de scanner kan onderscheiden.
Hoe meer kleuren een scanner kan onderscheiden, hoe realistischer de gescande foto wordt weergegeven.
Dynamisch bereik
Ook wel D-max of densiteit genoemd. Het dynamisch bereik geeft aan hoeveel verschillende tinten tussen zwart en wit de scanner kan waarnemen.
Hoe groter het dynamisch bereik, hoe meer details zichtbaar zijn in zowel donkere als lichte delen van een foto.
De meeste filmscanners hebben een waarde van circa 3,6 D-max. Hoe hoger het dynamisch bereik, hoe beter de scanner.
De Imacon Flextight 848 heeft een waarde van 4,8 D-max.
Stof
Scanners zijn erg gevoelig voor stof. Zorg ervoor dat je stof van foto’s of film verwijdert voordat je gaat scannen.
Voor het stofvrij maken van negatieven, dia’s en foto’s kun je het beste gebruikmaken van een drukluchtreiniger (spuitbus met lucht).
Wees hierbij voorzichtig en voorkom krassen. Pak negatieven en dia’s aan de randen vast. Gebruik eventueel zachte, witte katoenen handschoenen.
Beeldscherm
Zorg ervoor dat je monitor goed is afgesteld.
Sommige scanners worden geleverd met een referentiefoto die je kan scannen om monitor- en scannerinstellingen te optimaliseren.
Het doel is dat wat je op het scherm ziet zo goed mogelijk overeenkomt met het voorbeeld. Dit is ook nuttig voor het instellen van de printer.
Let vooral op grijstrappen, neutrale grijzen en belangrijke kleuren zoals huidtinten.
Filmprofiel
Wanneer je een scan maakt, moet je een filmprofiel selecteren op basis van het type film (deze optie is alleen beschikbaar bij professionele filmscanners).
De scanner houdt dan rekening met specifieke filmeigenschappen, zoals kleurafwijkingen.
TWAIN
Via TWAIN kun je rechtstreeks vanuit Photoshop scannen. De scansoftware neemt tijdelijk de controle over, waarna het gescande beeld weer in Photoshop verschijnt.
Resolutie instellen
Gebruik 300 dpi als je de scan wilt printen. Voor internettoepassingen is 150 dpi voldoende. Stel ook de afmetingen in centimeters in.
Curven
Met curven kun je kleurbalans en contrast aanpassen. Je kan afzonderlijke kleurkanalen bewerken of alle kanalen tegelijk.
Contrast wordt vaak aangepast met een S-curve, maar het is beter om de scan eerst wat zachter te houden en later te bewerken in Photoshop.
Histogram
Een histogram is een hulpmiddel om een scan te analyseren. De linkerzijde geeft de donkere tonen weer, de rechterzijde de lichte tonen.
Een simpele scanner maakt vaak een goede foto. Hij voegt contrast toe, maakt kleuren wat sterker en probeert het beeld af te maken.
Dat ziet er snel goed uit, maar ondertussen gooit hij vaak subtiele details weg, vooral in de donkere en lichte delen.
Een betere scanner doet juist het tegenovergestelde. Die maakt eerst een wat vlakke, misschien zelfs saaie scan, maar bewaart wel zoveel mogelijk informatie.
De Imacon Flextight 848 werkt anders dan de meeste scanners.
In plaats van een foto in één keer te maken, leest hij het beeld lijn voor lijn uit, een beetje zoals een printer, maar dan omgekeerd.
De film wordt ook licht gebogen in een houder, zodat alles scherp in focus ligt.
Een belangrijk begrip hierbij is de zogenaamde D-max. Dat is eigenlijk een maat voor hoe goed een scanner verschillen kan zien in donkere stukken van de film.
Een simpele scanner ziet schaduwpartijen al snel als een donkere vlek.
Een goede scanner kan daarin nog allerlei kleine verschillen onderscheiden, zoals textuur, details of zachte overgangen.
Bij een slechte scan vallen schaduwen snel dicht en worden lichte delen snel wit zonder detail.
Hoe hoger die D-max, hoe meer nuance je behoudt. En dat merk je vooral als je de scan later gaat bewerken.
Voor informatie over de Imacon Flextight 848, ga naar google.com
Film ontwikkelen
Handleiding voor cursisten fotografie. Concordia Kunst & Cultuur, Enschede, 2000–2007.
Film ontwikkelen, printen en het maken van fotogrammen in de donkere kamer.
Film ontwikkelen bij aangepaste ISO-waarden.
Agfapan APX 25
Belicht als ISO 16. Ontwikkelaar Rodinal. 1 + 25. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 21°C.
Agfapan APX 25
Belicht als ISO 12. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 7 min. bij 21°C.
Agfapan APX 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar Atomal. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 11 min. bij 21°C.
Agfapan APX 100
Belicht als ISO 80. Ontwikkelaar Refinal. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Fuji Neopan 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar T-max. 1 + 9. Ontwikkeltijd is 7 min. bij 21°C.
Ilford FP4 Plus 125
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Ilford HP5 Plus 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 9 min. bij 21°C.
Ilford 100 Delta
Belicht als ISO 50. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 5 min. bij 21°C.
Ilford 400 Delta
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 8 min. bij 21°C.
Kodak Tpan
Belicht als ISO 25. Ontwikkelaar Rodinal. 1 + 100. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 21°C.
Kodak T-max 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 24°C.
Kodak T-max 100
Belicht als ISO 64. Ontwikkelaar D76. 1 + 1. Ontwikkeltijd is 12 min. bij 21°C.
Kodak T-max 400
Belicht als ISO 250. Ontwikkelaar T-max. 1 + 4. Ontwikkeltijd is 6 min. bij 24°C.
De effectieve gevoeligheid ligt vaak lager dan de gevoeligheid die door de fabrikant wordt aangegeven.
Wanneer er weinig doortekening in de schaduwpartijen zit, kun je de effectieve filmgevoeligheid verlagen van bijvoorbeeld ISO 400 naar ISO 250.
Verdunning, tijd en temperatuur voor het ontwikkelen van een film staan op de verpakking van de ontwikkelaar.
Voor informatie over ontwikkeltijden, ga naar digitaltruth.com
Bewaar je films in de originele afgesloten verpakking in de koelkast. Bij oude / overjarige films neemt de gevoeligheid en het contrast langzaam af.
Overbelichten, 1 tot 2 stops, en langer ontwikkelen, +/- 15%, kan helpen om de lagere gevoeligheid en het contrast een beetje te compenseren.
Voor het kopen van fotorolletjes, ga naar google.com
Voorbereiding
Zorg dat de donkere kamer en de spullen die je gebruikt schoon en stofvrij zijn.
Oefen bij daglicht met een filmrolletje om te kijken hoe het proces van het opspoelen gaat. Hiervoor gebruik je een Paterson-spiraal voor de ontwikkeltank.
Voor de filmontwikkeling gebruik je maatbekers in verschillende formaten, trechters, thermometer,
kunststof roerstaven, film-catridge-opener, Paterson-ontwikkeltank, Paterson-spoelslang, filmafstrijktang en clips om de film op te hangen in de droogkast.
Water
Breng kraanwater op een temperatuur die gelijk is aan de ontwikkeltemperatuur. Dit is meestal 20°C of 21°C.
Vul de tank met dit water en laat het 1 minuut in de tank. Vervolgens giet je het water uit de ontwikkeltank.
Dit helpt het ontwikkelproces van de film, omdat de juiste temperatuur dan al is overgebracht op de ontwikkeltank.
Ontwikkelen
Spoel het rolletje op. Plaats de spoel in de ontwikkeltank en sluit deze af. Voeg vervolgens de filmontwikkelaar toe.
Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank moet continu, 60 seconden lang, op een rustige manier.
Vervolgens 1 keer per 30 seconden. Halverwege het ontwikkelen tik je, niet te hard en niet te zacht, met de onderkant van de ontwikkeltank op tafel.
Hiermee zorg je ervoor dat eventuele luchtbelletjes op het filmrolletje eraf gaan.
De ontwikkeltijd is afhankelijk van de film en de ontwikkelaar.
Na het ontwikkelen van de film giet je de ontwikkelaar in een fles om de volgende film te ontwikkelen.
Stopbad
Het stopbad zorgt voor het stoppen van de ontwikkeling van een film.
Het stopbad (verdunning 1 + 9) moet ongeveer 30 seconden lang zijn. Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank doe je 4 keer.
De temperatuur van het stopbad zoveel mogelijk gelijk houden aan de ontwikkeltemperatuur.
Fixeer
De fixeertijd van een film is ongeveer 3 tot 4 minuten. T-max en Neopan moeten 200% langer worden gefixeerd.
Probeer de temperatuur zoveel mogelijk gelijk te houden aan de ontwikkeltemperatuur van de film.
Het kiepen / omdraaien van de ontwikkeltank moet continu, 60 seconden lang, op een rustige manier. Vervolgens 1 maal per 30 seconden.
Na het fixeren van de film giet je de fixeer in een fles voor hergebruik.
Spoelen
Het spoelen van een film moet minimaal 8 minuten duren bij een temperatuur van ongeveer 20°C.
Hiervoor gebruik je de Paterson spoelslang.
Voeg op het laatst een paar druppels Wetting Agent aan het water toe. Dit voorkomt droogvlekken op de negatieven.
De ontwikkeltank met Wetting Agent op een rustige manier, 2 minuten lang kiepen / omdraaien.
Film met spoel uit de ontwikkeltank halen en onderdompelen in een bakje met Wetting Agent kan ook.
Vervolgens strijk je de film af met een filmafstrijktang.
Drogen
Drogen van de film kan in een negatieven-droogkast of in de douche, daar waar geen tot weinig stof is.
Droogtijd van je film in de douche is ongeveer 2 uur.
Cliptest
Wanneer het onzeker is welke filmgevoeligheid of sluitertijd er is gebruikt, maak je een cliptest.
Voor deze cliptest gebruik je het begin van een kleinbeeldfilm of het eind van een rolfilm. Na beoordeling verwerk je de film.
Pushen en Pullen
Een film van ISO 400 belichten als ISO 800. Dit is +1 stop. De ontwikkeltijd is langer. Dit noemen we pushen.
Een film van ISO 400 belichten als ISO 200. Dit is -1 stop. De ontwikkeltijd is korter. Dit noemen we pullen.
Negatieven controleren
Wanneer de negatieven droog zijn, knip je ze in stroken. Elke strook heeft 6 negatieven. Stop de negatieven in volledig transparante negatiefbladen.
Voor het uitzoeken van je negatieven maak je gebruik van een lichtbak en een loep om onder andere de scherpte te controleren.
Na het maken van een contactafdruk en het printen bewaar je de negatiefbladen in een ringmap of in een lege doos fotopapier.
Korrel
Hoe hoger de ISO-waarde van een filmrol, hoe meer korrel en daardoor minder detaillering / scherpte in de foto.
Bij mooi weer gebruik je een filmrolletje met lage gevoeligheid, bijvoorbeeld ISO 100. Deze filmrol heeft een fijne korrel.
Bij weinig licht gebruik je een filmrolletje met een hoge gevoeligheid, bijvoorbeeld een ISO 800 of ISO 1600. Dit soort filmrolletjes hebben een grove korrel.
In een film met een hoge ISO-waarde zitten grote lichtgevoelige zilverkristallen. Na het ontwikkelen van het filmrolletje wordt deze korrel zichtbaar.
Contactafdruk
Maak eerst een proefstrook, zodat je de belichtingstijd weet.
Leg een vel fotopapier (24 x 30) onder de vergroter. Op dit fotopapier leg je het negatiefblad met daarbovenop een schone, dunne glasplaat van hetzelfde formaat.
Vervolgens ga je belichten en ontwikkelen. De firma Paterson verkoopt een contact-printer waarmee je makkelijker contactafdrukken kan maken.
Voor het maken van een contactsheet gebruik je Ilford Multigrade-papier op gradatie 2. De belichtingstijd ligt tussen de 8 en de 12 seconden
bij een opening van f/8. De afstand van de vergroter tot het fotopapier is ongeveer 50 cm.
Voor meer informatie, ga naar patersonphotographic.com
Printen
Foto’s printen in de donkere kamer.
Voorbereiding
De donkere kamer en de spullen die je gebruikt zijn schoon en stofvrij.
Voor het printwerk gebruik je ontwikkelbakken met verschillende kleuren en afmetingen.
De kunststof ontwikkelbak voor de papierontwikkelaar is wit, het stopbad is rood en voor het fixeren is het groen.
Thuis doet de kleur er niet toe. Gebruik dezelfde kleur voor hetzelfde procedé. Dit voorkomt eventuele vlekjes op je foto.
Schrijf eventueel met een stift op de voor- en achterkant van de bak voor welk procedé je het gebruikt.
Maak na elke doka-sessie de bakken goed schoon.
Afhankelijk van het printformaat pak je een bak die het beste past. Niet te groot en niet te klein. Dit scheelt papierontwikkelaar.
Verder gebruik je een vergroter, timer, maatbekers, thermometers, kunststof roerstaven,
papiertangen, Paterson korrelzoeker, Meopta vergrotingsbord, schaalverwarmer, klok en een print-washer.
Vergroters
Een condensorvergroter heeft meestal twee lenzen tussen de lichtbron en het negatief.
Deze lenzen concentreren of focussen het licht van een gloeilamp en richten de lichtstralen recht door het negatief naar de lens.
Dit licht is vergelijkbaar met een puntlichtbron, zoals een spot of de zon, waarmee je scherpe afdrukken kan maken.
De korrelstructuur van het negatief en eventuele stof op het negatief worden hierdoor duidelijk zichtbaar.
Bij een diffusorvergroter is het licht ongebundeld. Dit zijn meestal vergroters met een kleurkop waarmee je ook prima zwart-wit foto’s kan maken.
Voordeel van het gebruik van een diffusorvergroter is dat je achteraf minder hoeft te retoucheren.
Het contrast van Multigrade-papier kun je instellen met de kleuren yellow en/of magenta.
Bij koudlichtvergroters bestaat de lichtbron uit een fluorescentielamp die blauw licht geeft.
Voor meer informatie, ga naar beselerphoto.com
Korrelzoeker
Voordat je fotopapier gaat belichten, moet je eerst de vergroter scherpstellen.
Dit doe je met een korrelzoeker, waarbij je de vergroter scherpstelt op de korrel van het negatief.
Wanneer er stofjes op je negatief zitten, gebruik je een blaasbalgje om deze te verwijderen.
Voor meer informatie, ga naar google.com
Proefstroken
Proefstroken maken doe je volgens het principe 2 seconden + 2 seconden + 2 seconden + 2 seconden.
1. Knip of snij stroken papiergradatie 2.
2. Zet de lens van de vergroter op diafragma f/8.
3. Dek je proefstrook voor 1/4 gedeelte af en maak een belichting van 2 seconden.
4. Dek je proefstrook nu voor 1/2 af en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
5. Dek je proefstrook nu voor 3/4 af en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
6. Niets afdekken en maak opnieuw een belichting van 2 seconden.
Het eerste gedeelte van de proefstrook is nu in totaal 8 seconden belicht en daarmee ook het meest donkere gedeelte van de proefstrook.
Zie je nauwelijks verschil tussen elke stap, dan neem je 4 stappen van elk 4 seconden of 8 seconden. Voor het maken van een proefstrook gebruik je papiergradatie 2.
Als de belichting goed is, maar de schaduwen te licht, dan gebruik je papiergradatie 3. Vervolgens maak je een nieuwe proefstrook.
Proefstroken beoordelen doe je altijd bij daglicht. Maak gebruik van een zwart kartonnetje (20 x 25) om het licht uit de vergroter tegen te houden.
Ontwikkelen
Ontwikkelaar moet 21°C zijn om goed te kunnen werken. Bij lagere temperaturen reageren de verschillende chemicaliën in de ontwikkelaar niet goed.
Maak gebruik van een schaalverwarmer zodat de ontwikkelaar op temperatuur blijft.
Ontwikkeltijd van fotopapier is ongeveer 60 seconden bij een rustige beweging van de ontwikkelbak.
De ontwikkelaar bepaalt ook een klein beetje de gradatie en de maximale zwarting. Er zijn papierontwikkelaars die een tint aan de foto geven.
Warmtoon-ontwikkelaars zijn Adox Neutol WA of Amaloco AM 1001.
Neutraal- tot koudtoonontwikkelaars zijn Adox Neutol NE, Tetenal Eukobrom, Ilford Ilfospeed of Kodak Dektol.
Bij fotopapier met een variabele gradatie zoals Ilford Multigrade, gebruik je verschillende gradatiefilters.
De filters leg je in de filterla boven de condensor van een vergroter of onder de lens met een speciale filterhouder.
Wanneer je werkt met een kleurvergroter, pas je de filterinstellingen, yellow en/of magenta, aan. Probeer met fotopapier gradatie 2 te werken.
Er zijn verschillende gradatiefilters die je kan gebruiken om minder of meer contrast in je foto te krijgen.
Je kan gebruikmaken van filternummers 00, 0, ½, 1, 1½, 2, 2½, 3, 3½, 4, 4½ en 5, waarbij filter 00 een zeer laag contrast geeft
en 5 een hoog contrast.
Voor informatie over gradatiefilters, ga naar ilford.com
Voor informatie over fotochemicaliën, ga naar google.com
Voor informatie over Ilford fotopapier, ga naar google.com
Doordrukken en tegenhouden
Doordrukken is de techniek waarbij je twee handen gebruikt. Je legt je handen over elkaar en maakt tussen beide handen een kleine, ronde opening.
Je handen houd je dicht bij de lens van de vergroter. Op deze manier kun je een gedeelte van het papier meer licht geven en de rest van het licht tegenhouden.
Makkelijker in gebruik zijn zwarte kartonnetjes met verschillende afmetingen en ronde openingen.
Het papier krijgt, daar waar je doordrukt, meer licht en dus meer doortekening.
Tegenhouden is de techniek waarbij je één of twee handen kan gebruiken om het licht uit de vergroter tegen te houden.
Voor het fijne werk, bijvoorbeeld een gezicht lichter maken, gebruik je een afhoudertje / vlaggetje om het licht uit de
vergroter tegen te houden. Dit afhoudertje / vlaggetje bestaat uit een dun stukje ijzerdraad met aan het uiteinde een rond zwart kartonnetje.
Wanneer je veel moet tegenhouden en/of doordrukken, is het verstandig om de belichtingstijd bij het printen te verlengen.
Dit doe je door het diafragma op de lens met -1 stop aan te passen. Dit betekent dat het diafragma op de lens van bijvoorbeeld f/8 naar f/11 gaat.
Hiermee wordt de belichtingstijd bij het printen verdubbeld.
Flashing
Contrastregeling is belangrijk voor het maken van zeer fijne zwart-wit foto’s.
Hiervoor maak je gebruik van wit licht om het papier voor of na te flashen om zo het contrast te finetunen.
Pre-flash is de techniek die je kan gebruiken om meer doortekening in de helderste delen van de foto te krijgen.
Voor informatie over flashing, ga naar rhdesigns.co.uk
Stopbad
Amaloco S10 heeft als voordeel dat het praktisch reukloos is en een indicator voor houdbaarheid heeft.
De temperatuur van het stopbad moet ongeveer 21°C zijn. Het fotopapier moet minimaal 60 seconden in het stopbad liggen.
Fixeren
Omdat de fixeer het PE-papier niet bereikt, is de keuze voor een bepaalde soort fixeer niet echt van belang.
De temperatuur van de fixeer moet ongeveer 21°C zijn.
De Fixeertijd is minimaal 2 minuten, bij een rustige beweging van de bak of minimaal 5 minuten bij geen beweging van de bak.
Barietpapier moet tussen de 5 en 10 minuten fixeren, bij een rustige beweging van de bak.
Spoelen
Temperatuur van het water moet ongeveer 21°C zijn.
Spoeltijd voor PE-papier is ongeveer 15 minuten in stromend water. Bij een temperatuur onder de 15°C moet het PE-papier langer spoelen.
Barietpapier moet minimaal 45 minuten spoelen bij een temperatuur van ongeveer 16°C.
Drogen
Drogen kan met een wasknijper aan de drooglijn, met een haardroger of droogapparaat.
Een droogapparaat mag niet boven de 50°C staan ingesteld. Anders smelt het kunststof.
Warm en snel drogen met een droogapparaat geeft de foto meer glans.
Na het drogen ligt het kunststofpapier mooi vlak en heeft het een glanzend of zijdematte oppervlakte.
Printen op barietpapier
Barietpapier is langer houdbaar dan PE-papier (polyethyleen). Barietpapier moet minimaal 45 minuten gespoeld worden bij een minimale temperatuur van 16°C.
Het drogen van barietpapier moet aan de lucht en met zuurvrije tape op een glasplaat geplakt worden. De emulsielaag moet naar boven.
Door het drogen krimpen de vezels 0,5% tot 1,5%. Barietpapier kun je meer glans geven door gebruik te maken van een glanspers.
Het papier moet dan met de emulsielaag naar beneden, op een glansplaat of een gepolijste glasplaat, worden gedroogd bij een temperatuur van 90°C.
Beoordelen
Het beoordelen van je gemaakte print doe je bij daglicht.
Retoucheren
Voor het retoucheren van foto’s gebruik je Spotone-inkt in verschillende tonen, zoals warm, neutraal en koud.
Meestal gebruik je de neutrale tint nummer 3 van Spotone.
Gebruik een stukje fotopapier (proefstrookje) waarop je een druppel Spotone aanbrengt. Deze laat je een beetje opdrogen.
Naast de inkt breng je met een pipet of een schoon penseeltje een druppel gedestilleerd water aan. Hiermee verdun je de sterkte / kleurverzadiging van de inkt.
Het is verstandiger om voorzichtig te stippen met een tint die iets te licht is dan te donker.
Voor het aanbrengen van kleine stipjes op de foto gebruik je een fijn puntpenseel van kwaliteit in de maten 0 of 00.
Bij PE-papier trekt de inkt niet in het papier (papier = kunststof). Bij barietpapier trekt de inkt wel in het papier.
Gebruik bij het retoucheren witte, katoenen handschoentjes om eventuele vingervlekken op de print te voorkomen.

Fotogram
Fotogrammen maken in de donkere kamer.
Inleiding
In de donkere kamer leg je één of meerdere objecten op een vel onbelicht fotopapier.
Je kan het licht uit de vergroter gebruiken, van een lamp of zaklantaarn.
Na het belichten en ontwikkelen van het fotopapier zullen de objecten deels als contouren worden weergegeven
met witte tonen en/of grijstonen tegen een donkere achtergrond.
Fotogrammen zijn bekend geworden door fotograaf en kunstenaar Man Ray.
Hij noemde zijn fotogrammen Rayographs.
Het fotowerk van Man Ray kun je bekijken via google.com
Voorbeelden van fotogrammen kun je bekijken via google.com
Voorbereiding
Zorg dat de donkere kamer en de spullen die je gebruikt schoon en stofvrij zijn.
Voor het printwerk gebruik je kunststof ontwikkelbakken van verschillende afmetingen en kleuren.
De kunststof ontwikkelbak voor de papierontwikkelaar is wit. Voor het stopbad is de bak rood en voor het fixeren groen.
Thuis doet de kleur er niet toe. Gebruik dezelfde kleur voor hetzelfde procedé. Dit voorkomt eventuele vlekjes op je print.
Schrijf eventueel met een stift op de voor- en achterkant van de bak voor welk procedé je het gebruikt.
Maak na elke doka-sessie de bakken goed schoon.
Afhankelijk van het printformaat pak je een bak die het beste past. Niet te groot en niet te klein. Dit scheelt papierontwikkelaar.
Verder gebruik je maatbekers, thermometers, roerstaven om de fotochemicaliën met water te mengen, papiertangen (voor elke bak één),
een schaalverwarmer zodat de papierontwikkelaar op temperatuur blijft, een klok om de ontwikkeltijd in de gaten te houden en een print-washer.
Aan de slag
1. Maak baden met fotochemicaliën aan.
2. Leg fotopapier onder de vergroter.
3. Leg op dit fotopapier één of meerdere objecten.
4. Belicht ongeveer 2 seconden met licht uit de vergroter.
5. Verwerk het fotopapier.
6. Beoordeel bij daglicht.

Photoshop
Maak je foto’s en wil je ze graag bewerken? Dan is deze workshop de volgende stap.
Met de workshop Photoshop leer je hoe je foto’s kunt verbeteren en mooier maken, zonder dat het ingewikkeld hoeft te zijn.
Geen technische overload, maar praktisch aan de slag met jouw eigen foto’s.
Stap voor stap leg ik je alles uit, zodat je het meteen kunt toepassen op je eigen fotowerk.
Tijdens de workshop komen onder andere de volgende onderdelen aan bod:
– Omzetting van RAW naar PSD
– Werken met Lagen en Maskers
– Curven, Helderheid en Contrast
– Kleurtoon en verzadiging
– Retoucheren
– Omzetting van kleur naar zwart-wit
– Selectief verscherpen
– Omzetting van PSD naar JPG
Daarnaast zal er voldoende ruimte zijn voor het beantwoorden van vragen.
Vereisten voor deze workshop zijn een laptop of notebook + Adobe Photoshop en voldoende computerervaring.
Je kan kiezen uit de volgende data:
Geen les in 2026
Aantal deelnemers
Niveau
Studieduur
Tijdstip
Tarief
Locatie
Bij aanmelding je naam en workshopdatum vermelden.
Lees de algemene voorwaarden
Ter voorbereiding op de workshop lees je het lesmateriaal en maak je de opdrachten.
Inleiding
De workshop richt zich op het optimaliseren van foto’s om de zeggingskracht ervan te versterken.
Laat je niet afschrikken door het aantal knoppen en instellingen; in de basis zijn een paar handelingen voldoende om een foto te corrigeren en te verbeteren.
Dat is de essentie van deze workshop, we maken het niet ingewikkelder dan dat.
Na afloop beschik je over de basisvaardigheden om zelfstandig bewerkingen uit te voeren en je foto’s te verfijnen.
Alle foto’s die je ziet in een tijdschrift, boek, op televisie en internet zijn op de een of andere manier bewerkt met een fotobewerkingsprogramma.
Simpelweg omdat bijna elke foto wel een beetje nabewerking nodig heeft om beter tot zijn recht te komen.
Dit kan bijvoorbeeld door de belichting, kleuren, scherpte of het contrast aan te passen, zodat de foto sprekender, mooier en professioneler oogt.
Wat er vroeger in de DOKA (donkere kamer) gebeurde, doen we tegenwoordig digitaal met een fotobewerkingsprogramma.
Waar fotografen vroeger foto’s ontwikkelden en bewerkten met chemicaliën en verschillende technieken gebruikte voor printen in de donkere kamer,
gebeurt dit nu snel en nauwkeurig op de computer.
Lees deze onderdelen en maak de opdrachten
Downloads
Wil je kwalitatief goede foto’s dan fotografeer je in het RAW-formaat.
Dat betekent dat de camera geen bewerkingen toepast, zoals het opscherpen van de foto. Het opscherpen van een foto doe je namelijk gedeeltelijk,
daar waar jij het wil, in Photoshop.
RAW-bestanden worden bewerkt in Adobe Photoshop. Hiermee kunnen delen van een foto lichter of donkerder worden gemaakt,
storende elementen worden geretoucheerd, kleuren worden aangepast, uitsneden worden gemaakt en specifieke delen achteraf worden verscherpt.
Het bewerken van RAW-bestanden kan ook met gratis software die te downloaden is via de website van het cameramerk, zoals Nikon of Canon, of met andere programma’s
die door camerafabrikanten worden aangeboden.
Voor informatie over gratis Canon-software, ga naar canon.nl
Voor informatie over gratis Nikon-software, ga naar nikon.nl
Adobe Photoshop
Adobe Photoshop kun je met een abonnement downloaden via adobe.com
Voor de handleiding over Adobe Photoshop, ga naar
adobe.com/user-guide en
adobe.com/tutorials
Handleiding Adobe Photoshop CC
Voor de handleiding Adobe Photoshop CC 2014, ga naar gebruikershandleiding.com
Handleiding Adobe Photoshop CS5
Voor de handleiding Adobe Photoshop CS5 2010, ga naar gebruikershandleiding.com
Adobe Camera Raw
Adobe Camera Raw is een onderdeel van Adobe Photoshop. Hiermee kun je elk RAW-bestand openen en bewerken, voordat je verder gaat met Photoshop.
Wanneer je een RAW-bestand opent met Photoshop, start Adobe Camera Raw vanzelf op. Met dit programma kun je bewerkingen toepassen, zoals
belichting, lenscorrecties, kleur, witbalans, contrast, ruisreductie en zwart-witomzetting.
Voor informatie over Camera Raw, ga naar adobe.com
Adobe Bridge
Adobe Bridge is een programma van Adobe dat je helpt om al je fotobestanden overzichtelijk te houden en snel terug te vinden.
Voor informatie over Adobe Bridge, ga naar adobe.com
Adobe Digital Negative Converter
Adobe DNG Converter is een programma waarmee je RAW-bestanden uit nieuwe camera’s kunt omzetten naar een voor Photoshop leesbaar bestand.
Voor informatie over Adobe DNG Converter, ga naar helpx.adobe.com
NIDF-norm
De NIDF-norm bevat richtlijnen voor Adobe Photoshop-instellingen.
Voor informatie over de NIDF-norm, ga naar focusmagazine.nl
NIK Collection
NIK Collection zijn plugins voor Photoshop en werkt als standalone.
Voor informatie over NIK Collection, ga naar nikcollection.dxo.com
Interface
De werkomgeving van Adobe Photoshop bestaat uit vijf hoofdonderdelen.
Canvas
Het centrale gebied waar je de foto ziet en bewerkt. Alles buiten dit gebied is ontzichtbaar in de uiteindelijke foto.
Gereedschappen
Gereedschappen zijn functies in de linker werkbalk waarmee je foto’s bewerkt en retoucheert.
Ze zijn ingedeeld in categorieën, zoals selecteren, retoucheren en transformeren.
Veel gereedschappen hebben verborgen varianten (klein driehoekje) en komen te voorschijn wanneer je het gereedschapje iets langer ingedrukt houdt met de cursor.
Vensters
Vensters zijn de panelen aan de zijkanten op je canvas. Ze dienen voor het beheer, de weergave en de wijziging van foto’s, zoals lagen en eigenschappen.
Je kunt deze vensters naar eigen wens rangschikken, inklappen of sluiten. Meestal staan rechts op het canvas de Lagen.
Menu
Het belangrijskte onderdeel is de Menubalk bovenaan en geeft toegang tot alle functies en instellingen.
Optiebalk
Onder het menu staat de optiebalk.
Het is een contextgevoelige balk, wat betekent dat de inhoud automtisch verandert op basis van het gereedschap dat je hebt geselecteerd.

Lagen
Lagen vormen de kern van Photoshop. Je kan het vergelijken met transparante vellen die boven op elkaar liggen.
Je kunt elke laag los aanpassen zonder dat de andere lagen veranderen. Daardoor kun je altijd terug en dingen opnieuw doen.
Elke laag is een apart onderdeel (bijvoorbeeld een aanpassing of retouche).
Lagen zijn afzonderlijk te bewerken. De volgorde van lagen bepaalt wat zichtbaar is.
Door met lagen te werken, blijft je originele foto behouden en kun je eenvoudig aanpassingen wijzigen of ongedaan maken.
Lagenpalet
Aan de rechterkant van het scherm zie je het lagenpalet of deelvenster Lagen.
Als je dit niet ziet, kun je het aanzetten via het menu > Venster > Lagen.
In dit venster staan alle lagen van je foto onder elkaar. Hier kun je lagen selecteren, verplaatsen en aanpassen.
Dit is de plek waar je het meeste mee werkt als je met lagen bezig bent.
Achtergrondlaag
Als je een foto opent, zie je één laag. Dit is de achtergrondlaag. Deze laag zit vast en kun je nog niet direct aanpassen.
Door er twee keer op te klikken maak je deze laag los. Vanaf dat moment kun je hem bewerken zoals elke andere laag.
In de praktijk doe je dit met een aanpassingslaag boven de achtergrondlaag. Nooit rechtsstreeks (via Menu > Afbeelding > Aanpassingen) in de achtergondlaag.
Nieuwe laag maken
Als je iets nieuws wilt toevoegen, maak je een nieuwe laag aan. Die komt boven de andere lagen te staan.
Wat bovenaan staat, zie je ook als eerste. Je kunt lagen verslepen om de volgorde te veranderen.
Een nieuwe laag maken doe je door te klikken op – Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag – onderin het lagenpalet.
Lagen verbergen of verwijderen
Soms wil je even kijken hoe je foto eruitziet zonder een bepaalde laag. Dan kun je die laag verbergen door op het oogje te klikken.
Als je een laag niet meer nodig hebt, kun je hem verwijderen. Dat doe je door hem naar de prullenbak te slepen.
Aanpassingslagen
Aanpassingslagen zijn erg belangrijk. Hiermee kun je een foto aanpassen zonder het origineel te veranderen.
Je kunt bijvoorbeeld de helderheid, contrast of kleuren aanpassen.
Dekking aanpassen
Elke laag heeft een dekking. Dat betekent hoe zichtbaar de laag is.
Als je de dekking lager zet, wordt de laag doorzichtiger. Zo kun je effecten zachter maken of lagen beter laten samenwerken.
Laagmaskers
Met een laagmasker bepaal je welk deel van een laag zichtbaar is.
Je werkt hierbij met zwart en wit. Met zwart kun je iets verbergen en met wit maak je het weer zichtbaar in combinatie met een penseel.
Werken met laaggroepen
Als je veel lagen hebt, kan het snel onoverzichtelijk worden. Daarom kun je laaggroepen gebruiken.
Een laaggroep is eigenlijk een map waar je lagen in stopt. Zo houd je alles netjes bij elkaar en kun je sneller werken.
Opvullagen
Met een opvullaag vul je een laag met een kleur, een verloop of een patroon.
Dit gebruik je bijvoorbeeld om een achtergrond te maken. Ook deze laag kun je later gewoon weer aanpassen.
Laagstijlen
Met laagstijlen kun je extra effecten toevoegen aan een laag. Denk aan een schaduw of een rand.
Deze effecten blijven gekoppeld aan de laag. Als je de laag verandert, verandert het effect automatisch mee.
Overvloeimodi
Overvloeimodi bepalen hoe lagen met elkaar mengen.
Hiermee kun je bijvoorbeeld een lichte achtergrond laten verdwijnen of juist effecten maken.
Lagen inkleuren
Als je met veel lagen werkt, kun je het overzicht kwijtraken.
Daarom kun je lagen een kleur geven. Zo zie je in één oogopslag welke lagen belangrijk zijn.
Slimme objecten
Slimme objecten zorgen ervoor dat je foto zijn kwaliteit behoudt.
Als je een foto kleiner maakt en later weer groter, blijft deze scherp.

1. Keuzemenu. Filtert lagen op vijf hoofdopties; pixel-lagen, aanpassingslagen, tekstlagen, vormlagen en slimme objecten.
2. Overvloeimodus. Bepaalt hoe deze laag mengt met de onderliggende lagen.
3. Vergrendelen. Voorkomt dat je per ongeluk iets wijzigt.
4. Laagtype-icoon. Geeft het type laag aan, bijvoorbeeld een tekstlaag.
5. Zichtbaarheid (oog-icoon). Klik op het oogje om een laag zichtbaar of onzichtbaar te maken.
6. Laagnaam. In dit geval "Landschap". Dubbelklik om de laag een andere naam te geven.
7. Nieuwe groep. Maakt een nieuwe groep aan; handig om lagen te organiseren.
8. Origineel. Het originele bestand heeft de naam "Achtergrond". Deze laag is vergrendeld (hangslot-icoon).
9. Koppeling. Koppelt lagen aan elkaar, bijvoorbeeld een laag met een masker of meerdere lagen onderling.
10. Laagstijlen (FX). Voegt laagstijlen toe zoals schaduw, gloed, schuine kant, kleurbedekking en verloopbedekking.
11. Laagmasker toevoegen. Voegt een laagmasker toe aan de geselecteerde laag. Klik op het masker om het te bewerken.
12. Aanpassingslaag. Maakt een aanpassingslaag aan, zoals Curven, Kleurbalans, Helderheid/Contrast, enzovoort.
13. Nieuwe groep. Maakt een nieuwe groep aan.
14. Nieuwe laag. Maakt een nieuwe lege laag aan boven de geselecteerde laag.
15. Laag verwijderen. Verwijdert de geselecteerde laag.
16. Vulling. Bepaalt de dekking van de inhoud van de laag (zonder effecten).
17. Dekking. Bepaalt hoe doorzichtig de hele laag is (0-100%).
18. Filteren op laagtype. Aan/uit schuifje. Helpt om lagen te filteren en snel terug te vinden op basis van eigenschappen of type.
Bewerkingen
Een belangrijk principe binnen Photoshop is het niet-destructief werken.
Werk met lagen in plaats van direct in je foto. Wanneer je een foto opent in Photoshop zie je één laag, met de naam Achtergrond.
Gebruik altijd Laagmaskers wanneer je een foto gaat bewerken.
Werken met maskers
Met een laagmasker (een masker dat aan een laag is gekoppeld) kunnen delen van een laag worden verborgen of zichtbaar gemaakt.
Dit gebeurt door in het masker met zwart (verbergen) of wit (zichtbaar maken) te werken.
Door onder in het lagenpalet op – Laagmasker toevoegen – te klikken krijg je een laagmasker die gekoppeld wordt aan een geselecteerde laag.
Door onder in het lagenpalet op – Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag – te klikken krijg je
een opvullaag of aanpassingslaag met een masker die boven de geselecteerde laag komt.
Gereedschappen
Penseel (B) – voor het laagmasker of retoucheren.
Gummetje (E) – retoucheren.
Retoucheerpenseel / Kloonstempel (J) – retoucheren en herstellen.
Uitsnijden (C) – uitsnijden van foto.
Handje (H) – verschuiven van je foto.
Verplaatsen (V) – verplaatsen van elementen.
Selecties
Selecties bepalen welk deel van de foto je bewerkt (bijvoorbeeld de lucht). Met een selectie kun je onderdelen kopiëren of verplaatsen.
Belichting en kleur aanpassen
Photoshop biedt uitgebreide mogelijkheden om een foto op belichting en kleur te verbeteren.
Doe dit altijd via – Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag maken – onderin het lagenpalet.
Veel gebruikte aanpassingslagen zijn:
Helderheid en Contrast – basisaanpassingen in licht.
Niveaus – nauwkeurige controle over contrast en belichting.
Curven – nauwkeurige controle over contrast en belichting.
Kleurtoon en Verzadiging – kleurintensiteit aanpassen.
Kleurbalans – kleurtonen corrigeren.
Retoucheren
Voordat je begint met retoucheren maak je eerst een nieuwe laag aan.
Klik hiervoor onderin het lagenpalet op – Een nieuwe laag maken.
Zorg ervoor dat in het Menu – Uitgelijnd monster – Alle lagen – is aangevinkt.
Voor het corrigeren van foto’s gebruik je onder andere:
Snel retoucheerpenseel om kleine imperfecties te verwijderen.
Retoucheerpenseel voor het herstellen met behoud van structuur.
Kloonstempel voor het kopiëren van pixels.
Van kleur naar zwart-wit
Via het Lagenpalet > Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag maken > Zwart-wit.
Sleep de schuifregelaars om grijstinten voor specifieke kleuren aan te passen
Een andere methode is om gebruik te maken van de Kanaalmixer (Laag > Nieuwe aanpassingslaag > Kanaalmixer).
Vink de optie Monochroom aan.
Er zijn drie schuifjes (rood, groen en blauw) die gezamenlijk 100% zijn. Je kan de schuifregelaars naar smaak instellen, zolang ze gezamenlijk 100% blijven.
Bij meer dan 100% kunnen details in de hooglichten verdwijnen. Bij minder dan 100% wordt de foto donkerder.
Info
Via Menu > Venster > Info.
Met dit venster kun je de verschillende waarden aflezen terwijl je de cursor over je foto beweegt.
Als je uitgaat van een standaard 8-bits bestand (RGB of grijswaarden), dan ligt puur zwart op waarde 0 en puur wit op waarde 255.
Waarde 0: volledig zwart, geen doortekening meer in de diepste schaduwen.
Waarde 255: volledig wit, geen doortekening meer in de hoogste lichten.
In de praktijk van drukwerk en fotoprints is het iets genuanceerder. Een printer en papiersoort hebben een beperkt dynamisch bereik.
Daardoor verdwijnen vaak al details vóór je 0 of 255 bereikt.
Bij veel hoogwaardige fotoprints zie je bijvoorbeeld dat schaduwdetail onder ongeveer RGB 5-15 nauwelijks meer zichtbaar wordt,
terwijl hooglichtdetail boven ongeveer RGB 240-250 al moeilijk te onderscheiden kan zijn.
De exacte grens hangt af van de printer, inkt, papiersoort, verlichting en kijkafstand.
Als je wilt weten bij welke waarden jouw specifieke printer/papiercombinatie dichtloopt of uitbrandt,
dan is een grijsverloop of stappentest met bekende RGB-waarden de betrouwbaarste methode.
Daarmee kun je exact zien vanaf welke waarde de laatste zichtbare doortekening verdwijnt.
Grijsverloop of stappentest
Een grijsverloop is een afbeelding die geleidelijk verloopt van zwart naar wit, waarbij alle tussenliggende helderheidswaarden aanwezig zijn.
Als je zo'n bestand print, kun je bekijken waar de printer nog onderscheid maakt tussen opeenvolgende tinten en waar de tonen in elkaar gaan overlopen.
Zo zie je wanneer detail in de schaduwen verdwijnt en of hooglichtdetail nog zichtbaar is.
Een stappentest werkt volgens hetzelfde principe, maar gebruikt afzonderlijke vakjes met bekende waarden in plaats van een vloeiende overgang.
Bijvoorbeeld vakjes met RGB 0, 5, 10, 15, 20 enzovoort aan de donkere kant en 235, 240, 245, 250, 255 aan de lichte kant.
Na het printen kijk je welke vakjes nog van elkaar te onderscheiden zijn.
Als RGB 245 en 250 er identiek uitzien, maar 240 nog net verschilt van 245, dan weet je ongeveer waar de hooglichtdoortekening
ophoudt voor die printer- en papiercombinatie.
Voor fotografen is een stappentest vaak het nuttigst, omdat je daarmee vrij nauwkeurig kunt bepalen welke RGB-waarden op papier nog zichtbaar verschil
geven en welke niet meer. Daardoor krijg je een veel beter beeld van de werkelijke grenzen van je afdrukproces dan alleen door naar het beeldscherm te kijken.
Grijspunt prikken
Een grijspunt prikken betekent dat je een plek aanwijst die in werkelijkheid neutraal grijs hoort te zijn.
Met Curven kies je het middelste pipetje (het grijze pipetje) en klik je op zo'n neutraal gebied.
Photoshop past vervolgens de kleurkanalen aan zodat op die plek rood, groen en blauw gelijk worden. Daardoor verdwijnt een kleurzweem vaak in de hele foto.
De moeilijkheid zit meestal niet in het gebruik van het pipetje, maar in het vinden van een echt neutraal punt. Het Info-venster helpt daarbij.
Als je over vermoedelijk grijze delen van de foto beweegt en de RGB-waarden liggen dicht bij elkaar, bijvoorbeeld 128-130-127, dan is dat een goede kandidaat.
Bij foto’s zonder duidelijke neutrale objecten is een grijspunt vaak een aanname.
Dan wordt de correctie meer een kwestie van visuele beoordeling dan van meten, omdat je niet met zekerheid weet of een bepaald oppervlak werkelijk grijs hoorde te zijn.
In zulke gevallen zijn huidtinten, bekende materialen of een grijskaart tijdens de opname betrouwbaardere referenties.
Van PSD naar JPEG
Bestand > Opslaan als. Er opent zich een nieuw venster om een naam te geven aan het bestand.
Onderin het venster klik je op Indeling > JPEG.
Vervolgens klik je op Bewaar.
Er opent een nieuw venster met JPEG opties. Kwaliteit: 12 voor maximale kwaliteit.
De nieuwste versie Photoshop ondersteunt deze functie niet meer.
Selecteer nu vanuit Bestand > Kopie opslaan ‐ selecteer JPEG.
Opslaan voor web
Selecteer Bestand > Exporteren > Opslaan voor web.
Selecteer het gewenste bestandstype > JPEG.
Kwaliteit tussen de 80 en 100 (100 is maximaal).
Selecteer Opslaan.
Selecteer een locatie om je bestand op te slaan, geef het een naam en selecteer opnieuw Opslaan.
Opdracht
Opdracht 1
1. Kies Bestand > Openen. Selecteer een foto en klik op Open.
2. Via het Lagenpalet > Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag maken > Curven.
3. Voer globale aanpassingen uit op belichting door met Curven de foto lichter of donker te maken.
4. Corrigeer (eventueel) in het masker van de Curven met een zwart penseel.
5. Sla het bestand op als een PSD-bestand.
Opdracht 2
1. Bestand > Openen. Selecteer een foto en klik op Open.
2. Klik onderin het Lagenpalet op het icoontje – Een nieuwe laag maken.
3. Selecteer een tekengereedschap.
4. Teken met zwart in de nieuwe laag.
5. Klik onderin het Lagenpalet op het icoontje – Laagmasker toevoegen
6. Teken met zwart in het masker.
Je ziet dat je bij stap 6, deels iets kunt verbergen wat je eerder getekend hebt bij stap 4.
Lukt het niet? Geen probleem. We maken deze opdracht tijdens de workshop.
Sneltoetsen
Voor deze workshop zijn dit de belangrijkste sneltoetsen:
Apple is Cmd | Windows is Ctrl
Open bestand
Cmd + O | Ctrl + O
Nieuw bestand
Cmd + N | Ctrl + N
Opslaan
Cmd + S | Ctrl + S
Opslaan als
Cmd + Shift + S | Ctrl + Shift + S
Kopie opslaan
Alt + Cmd + S | Alt + Ctrl + S
Opslaan voor web
Cmd + Shift + Option + S | Ctrl + Shift + Alt + S
Sluiten bestand
Cmd + W | Ctrl + W
Wisselen tussen bestanden
Cmd + Tab | Ctrl + Tab
Werkbalken zichtbaar/verbergen
Tab | Tab
Handeling ongedaan maken
Cmd + Z | Ctrl + Z
Herhalen ongedaan maken
Cmd + Shift + Z | Ctrl + Shift + Z
In-/uitzoomen
Option + muiswiel | Alt + muiswiel
In-/uitzoomen
Cmd + +/- | Ctrl + +/-
In-/uitzoomen met volledig venster
Cmd + Option + +/- | Ctrl + Alt + +/-
Liniaal weergeven
Cmd + R | Ctrl + R
Wisselen tussen schermmodus
F | F
Standaardkleuren
D | D
Voor- of achtergrondkleur wisselen
X | X
Handje
H | H
Uitsnijden
C | C
Vlekjes verwijderen
B | B
Verplaatsen
V | V
Selecteren
M | M
Uitsnijden
C | C
Slimme kloon-gereedschap
J | J
Kloongereedschap
S | S
Penseel
B | B
Gummetje
E | E
Gereedschap groter
] | ]
Gereedschap kleiner
[ | [
Nieuwe laag
Cmd + Shift + N | Ctrl + Shift + N
Laag kopiëren
Cmd + J | Ctrl + J
Lagen samenvoegen
Cmd + E | Ctrl + E
Alle lagen samenvoegen
Cmd + Shift + E | Ctrl + Shift + E
Zichtbare lagen naar één laag kopiëren
Cmd + Option + Shift + E | Ctrl + Alt + Shift + E
Selectie uitbreiden
Shift + selecteren | Shift + selecteren
Selectie verkleinen
Option + selecteren | Alt + selecteren
Deselecteren
Cmd + D | Ctrl + D
Selectie omdraaien
Cmd + Shift + I | Ctrl + Shift + I
Alles selecteren
Cmd + A | Ctrl + A
Selectie verplaatsen
Cmd + Pijltjes | Ctrl + Pijltjes
Selectie 10px verplaatsen
Cmd + Shift + Pijltjes | Ctrl + Shift + Pijltjes
Selectieranden verbergen
Cmd + H | Ctrl + H
Kopiëren
Cmd + C | Ctrl + C
Knippen
Cmd + X | Ctrl + X
Plakken
Cmd + V | Ctrl + V
Vrije transformatie
Cmd + T | Ctrl + T
Transformeren - vaste verhouding
Shift + Slepen | Shift + Slepen
Fotoformaat
Cmd + Option + I | Ctrl + Alt + I
Voor het complete overzicht aan sneltoetsen selecteer – Bewerken > Sneltoetsen.
Of gebruik de sneltoetsen Cmd + Option + Shift + K | Ctrl + Alt + Shift + K
Beeldscherm
Je beeldscherm moet de kleuren, helderheid en contrast goed weergeven.
Normaal gesproken heeft een beeldscherm een sRGB-kleurprofiel (sRGB = standaard Rood Groen Blauw). De betere beeldschermen kunnen een Adobe RGB-kleurprofiel weergeven.
Bij Adobe RGB liggen de kleuren verder uit elkaar dan bij sRGB. Adobe RGB heeft hiermee een groter kleurbereik dan sRGB.
Er zijn merken beeldschermen die het Adobe RGB-kleurbereik kunnen weergeven, zoals AOC, BenQ en Eizo.
Voor informatie over AOC-beeldschermen, ga naar coolblue.nl
Voor informatie over BenQ-beeldschermen, ga naar kamera-express.nl
Voor informatie over Eizo-beeldschermen, ga naar eizo.nl
Wanneer de kleuren en/of helderheid en/of contrast op het beeldscherm afwijken van een print, is de kans groot dat je beeldscherm niet goed is ingesteld.
Om een beeldscherm goed in te kunnen stellen, moet je het kalibreren. Dit gaat met een sensor die je tegen het beeldscherm zet en de kleuren meet.
De software van de sensor zorgt ervoor dat er een goed kleurprofiel voor je beeldscherm wordt ingesteld.
Voor informatie over dit onderwerp, ga naar cameranu.nl
Voor informatie over kalibratie, ga naar focusmagazine.nl
Camera RAW
Adobe Camera Raw is een programma van Adobe dat bedoeld is voor het bewerken van foto’s in RAW-formaat.
RAW-bestanden bevatten alle oorspronkelijke gegevens die door de camerasensor zijn vastgelegd, zonder dat er al bewerkingen of compressie op zijn toegepast.
In Adobe Camera Raw kun je die gegevens direct aanpassen.
Dat betekent dat je zaken zoals licht, kleur en detail kunt corrigeren terwijl de originele kwaliteit behouden blijft.
Omdat een RAW-bestand meer informatie bevat dan een JPG, heb je ook meer ruimte om aanpassingen te doen zonder kwaliteitsverlies.
Het programma wordt vaak gebruikt als eerste stap in de fotobewerking, omdat je hiermee de basis goed kunt aanpassen voordat je de foto verder bewerkt in Photoshop.
Overzicht instelmogelijkheden van Adobe Camera RAW.
Witbalans
Bepaalt de sfeer. Je probeert niet de perfecte witwaarden te vinden, maar een gevoel dat klopt bij de situatie.
Temperatuur
Kleurtemperatuur aanpassen.
Kleur
Meer / minder cyaan of meer / minder magenta.
Belichting
Maakt de hele foto lichter of donkerder. Dit corrigeert algemene onder- of overbelichting.
Contrast
Vergroot of verkleint het verschil tussen licht en donker.
Hooglichten
Haalt detail terug in lichte delen.
Schaduwen
Maakt donkere delen lichter zonder de rest te beïnvloeden.
Witte tinten
Bepaalt hoe helder het wit is in de foto. Kan de foto iets frisser maken.
Zwarte tinten
Bepaalt hoe diep het zwart is. Geeft iets meer contrast.
Textuur
Versterkt of verzwakt fijne details zonder het geheel hard te maken.
Lokaal contrast
Verhoogt contrast in middentonen.
Nevel verwijderen
Vermindert waas of mist en verhoogt contrast.
Levendigheid
Versterkt kleuren subtiel, vooral zwakkere kleuren.
Verzadiging
Maakt alle kleuren sterker of zwakker.
Overige instelmogelijkheden om je RAW-bestanden te verfijnen.
Kleur
Als je de witbalans wilt aanpassen, moet je eerst bepalen welke objecten in de foto neutraal (grijs) gekleurd moeten zijn.
Vervolgens moet je de kleuren in de foto wijzigen om deze objecten een neutrale kleur te geven.
Effecten
Voeg korrel of een vignet toe met de schuifregelaars.
Curve
Stel het toonbereik nauwkeurig in met curven. Je kan kiezen uit Parametrische curve, Puntcurve, Rood kanaal, Groen kanaal en Blauw kanaal.
Kleurmixer
Maak een keuze uit HSL (kleurtoon, verzadiging, luminantie) en Kleur om verschillende tinten in de foto aan te passen.
Kleurverlopen toepassen
Stel de tinten in schaduwen, middentonen en hooglichten nauwkeurig in met de kleurenwielen. Je kan ook de overvloeiing en balans van deze tinten aanpassen.
Details
Verscherpen (maakt details duidelijker), ruisreductie (vermindert korrel in donkere delen) en kleurruisreductie (verwijdert storende kleurvlekjes).
Optica
Gebruik je altijd. Fouten van je lenzen in het objectief worden gecorrigeerd.
Chromatische aberratie verwijderen (haalt kleurafwijkingen langs randen weg).
Lensprofielcorrecties gebruiken (corrigeert vervorming en vignettering automatisch).
Vage lens
Vervaging- en bokeh-effect toevoegen aan een foto.
Kalibratie
Met het Kalibratiepaneel kun je kleuren die je camera niet correct weergeeft, corrigeren. Je kan het ook gebruiken voor creatieve effecten.
Wanneer de belichting klopt, je hebt detail in zowel lichte als donkere delen en de kleuren zien er goed uit, enzovoort ga je naar Photoshop.
Voor informatie over Adobe Camera Raw, ga naar adobe.com

Adobe Bridge
Adobe Bridge is een programma van Adobe dat je helpt om al je fotobestanden overzichtelijk te houden en snel terug te vinden.
Met Adobe Bridge kun je door je mappen bladeren op een handigere manier dan met de standaard Verkenner (Windows) of Finder (Apple).
Je ziet meteen grote voorbeelden van je foto’s, waardoor je snel kunt kiezen wat je nodig hebt zonder alles apart te openen.
Met Bridge kun je bestanden sterren kunt geven, kleurenlabels toevoegen en werken met trefwoorden.
Je kan bijvoorbeeld in één oogopslag je beste foto’s eruit filteren of snel alle bestanden met een bepaald onderwerp terugvinden.
Een belangrijk onderdeel hierbij is het gebruik van EXIF-data. Dat is informatie die automatisch wordt opgeslagen in een foto.
Denk aan de datum waarop de foto is gemaakt, de camera-instellingen, zoals sluitertijd, diafragma, ISO, kleurruimte en de resolutie.
In Adobe Bridge kun je die EXIF-gegevens bekijken in een overzichtelijk paneel.
Dat is handig als je bijvoorbeeld wil weten met welke instellingen een foto is genomen of als je foto’s wilt sorteren op datum.
Je kan zoeken en filteren op basis van EXIF-data, zoals alle foto’s die op een bepaalde dag zijn gemaakt.
Daarnaast kun je ook extra informatie toevoegen, zoals je eigen beschrijving, copyright of trefwoorden.
Adobe Bridge werkt goed samen met Adobe Photoshop.
Als je een bestand hebt gevonden, kun je het direct openen in Photoshop (of eerst via Camera RAW) om het te bewerken.
Voor informatie over Adobe Bridge, ga naar adobe.com

Huiswerk
Het huiswerk maak je na het beëindigen van de workshop.
1. Van kleur naar zwart-wit
Er zijn verschillende manieren om van een kleurenfoto een zwart-wit foto te maken.
De makkelijkste en meteen ook de slechtste manier is via – Menu > Afbeelding > Modus > Grijswaarden.
Bij deze manier van omzetten heb je geen controle over de afzonderlijke kleuren.
Een betere manier is via – Lagenpalet > Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag maken > Zwart-wit.
Schuif met de schuifregelaars om grijstinten voor specifieke kleuren aan te passen.
1. Bestand > Openen. Selecteer een foto en klik op Open.
2. Via het Lagenpalet klik je onderin op – Nieuwe opvullaag of aanpassingslaag maken.
3. Kies vervolgens de optie – Zwart-wit.
4. Eventuele retouches voer je uit in een aparte nieuwe laag.
5. Sla het bestand op als een PSD-bestand.
Stuur het PSD-bestand, via wetransfer.com naar mij ter beoordeling.
Doe dit binnen een week na het beëindigen van de workshop.
2. Verscherpen
Een JPG-bestand uit de camera is al opgescherpt. Als je in RAW fotografeert moet je achteraf de foto selectief opscherpen.
Er zijn meerdere manieren om je foto na bewerking, selectief te verscherpen.
Je verscherpt alleen wat belangrijk is. Bijvoorbeeld bij een portretfoto de kleding, wimpers, wenkbrauwen, ogen en haar. De gezichtshuid scherp je niet op.
1. Bestand > Openen. Selecteer een foto en klik op Open.
2. Sleep de foto (laag) naar – Een nieuwe laag maken – of kopieer de foto door middel van Cmd + J of Ctrl + J.
3. Ga naar – Filter > Verscherpen > Onscherp masker. Percentage, Hoeveel en Straal zijn afhankelijk van de grootte van de foto.
4. Maak een masker in dezelfde laag aan en vul dit met zwart.
5. Met een wit penseel maak je de plekken weer zichtbaar waar je de verscherping wil zien.
6. Sla het bestand op als een PSD-bestand.
Stuur het PSD-bestand, via wetransfer.com naar mij ter beoordeling.
Doe dit binnen een week na het beëindigen van de workshop.
Een andere manier van opscherpen is via een Hoogdoorlaat-filter.
Een Hoogdoorlaat-filter zorgt ervoor dat je de contouren kunt verscherpen.
Als er meerdere lagen in je Photoshop-bestand zitten, moet je eerst – Kopieën van alle zichtbare lagen verenigen met doellaag.
Gebruik hiervoor de sneltoetsen Cmd + Alt + Shift + E (Apple) of Ctrl + Alt + Shift + E (Windows).
Op deze manier behoud je de originele lagen in je Photoshop-bestand.
1. Bestand > Openen. Selecteer een foto en klik op Open.
2. Via het Lagenpalet maak je een nieuwe laag aan.
3. Bovenin het lagenpalet zet je via de – Overvloeimodus voor laag instellen, de laag op – Bedekken.
4. Via het Menu > Filter > Overige > Hoogdoorlaat.
5. Pas de Straal in pixels aan en klik OK.
6. Is er te veel scherpte, dan verlaag je de – Dekking van de laag.
7. Sla het bestand op als een PSD-bestand.
Stuur het PSD-bestand, via wetransfer.com naar mij ter beoordeling.
Doe dit binnen een week na het beëindigen van de workshop.
Gebruik je eigen foto’s voor het maken van deze opdracht.
Gratis fotomateriaal voor deze opdracht kun je downloaden via Pexels en Pixabay, zonder een account aan te maken.
Voor gratis fotomateriaal, ga naar pexels.com en pixabay.com
Voor Photoshop-inspiratie, ga naar designspiration.com
Voor nog meer Photoshop-inspiratie, ga naar google.com